tussen taal en beeld

 

Eilandhoppen

Interinsulaire verbindingen
Juli en augustus 2000

De vogels vielen er dood uit de lucht, het ijs was er zwart van ouderdom.
Water en lucht gingen onmerkbaar in elkaar over en in deze witte schemering was men gedoemd voor eeuwig te dolen.
Nee de oude Grieken hadden het niet zo op het huiveringwekkende noorden. Zij fluisterden over de vloek die op de Noordelijke IJszee rustte.


 

Voorbij de Noordkaap wachtte de argeloze bezoeker een zuigende zee, gevoed door een enorme draaikolk en vier golfstromen, voerend over de rand van de wereld naar peilloze diepten




Den Helder – Texel

Alles gaat op tijd. De voetgangers gescheiden van de fietsers. De fietsers weer apart van de automobielen.
Luidsprekers waarschuwen de voetgangers om niet roekeloos over te steken. De voetgangers doen dat wel.
De fietsen staan rustig tegen de railing van de veerboot. Iedereen snelt naar het zelfbedieningsgebeuren. Er is weinig tijd voor eten en drinken.
Het schip vaart uit en de kust van Texel is al vanaf vertrek in zicht. Het veer stoomt in een rechte lijn van steiger tot steiger. Zonder rust, dag in dag uit.
Ik krijg korting op de overtocht, maar het kopen van een enkele reis is niet mogelijk. Die bestaan niet. Iedereen moet terug naar het vasteland, zo redeneert men.
De eilandhoppers zijn nog geen vast onderdeel van de dienstregeling en de tarieven.
Rustig fiets ik naar De Cocksdorp, naar het NTKC kampeerterrein.
Op mijn vast tentenplek hangt de was van de kampmeester. Hij haalt die weg als ik graag op mijn beschutte plekje wil staan.
Die avond kook ik niet. Ik eet een mosselmaal en drink veel bijpassende mosselwijn.

 

Ik denk aan ’t eiland waar ik niet meer zal komen
’t is bijna niet uit zee te zien, zoo smal
Het kleine dorp dat ik niet noemen zal
Ligt diep achter den dijk onder zijn boomen
En aan de vrouw bij wie ‘k niet meer zal komen
Met haar lag ik één stormigen nacht tezaam
Zij lag zeer stil en mompelde een naam
Die ik niet meer weet, maar draag in al mijn droomen

De droom van Barentsz werd een nachtmerrie. Tegen het ijs had hij niets in te brengen en hij stierf na een overwintering in het ‘Behouden Huys' op zee, zoals het een echte zeeheld betaamt, aan scheurbuik. Die zee werd later de Barentszzee genoemd. Pas in 1879 lukt de noordelijke doorvaart. De Zweed Adolf Nordenskjöld met zijn schip de Vega moest er ook wel een overwintering voor doorstaan.

Slauerhoff

Texel – Vlieland

Dicht bij de vuurtoren en waar de reddingsboot wacht op schipbreukelingen ligt ‘De Vriendschap’, een verbouwde garnalenkotter, van schipper Sil Boon.
Ik koop bijtijds een kaartje in het strandpaviljoen en hoor dat er vandaag een extra oversteek om vier uur is. Dat komt goed uit, dan ben ik eerder op ‘de Lange Paal’ het natuurkampeerterrein.
Over een smalle steiger van gammele planken manoeuvreer ik mijn volgepakte fiets naar het schip. De schipper neemt mijn fiets over, maar de voortassen moeten er af. De fietsen staan hutje aan mutje tegen de railing.
De passagiers zoeken een plaatsje aan dek en ik ga op het achterdek zitten.
De schipper komt langs met Beerenburg en andere plaatselijke, zeer zoete, kruidenbitters. Ieder waddeneiland dat zichzelf respecteert heeft een eigen merk.

De overtocht duurt niet lang, ongeveer een half uur.
Dan leggen we aan bij de Vliehors, een zandplaat waar de luchtmacht lekker aan het schieten is. Gelukkig houden ze op als ik aankom. Het schip maakt vast aan een dekschuit. Vandaar is er een hoge smalle wrakke steiger die uitkomt bij een kolossale legertruck die precies op tijd aankomt. De terreinwagen zit vol mensen die juist zo graag Texel willen zien. Het in- en uitladen van passagiers vereist enige organisatie. Wij moeten met onze fietsen op de rechterkant van de dekschuit plaatsnemen. De mensen uit de truck op de linkerkant. Dan kunnen we met halsbrekende toeren naar de truck.
De fietsen staan kop aan kont in het midden van de laadbak. Wij zitten aan de kant. Achter is aan de truck een soort balkonnetje gelast waarop ik een plaatsje vind.
Ik heb nog geen voet op de zandplaat gezet als de truck grommend en hotsend in beweging komt. Hij scheurt over de zandplaats alsof de luchtmacht hem op de hielen zit. We passeren controletorens op hoge poten en de oude tanks die als schietschijf dienen.
De afspraken tussen de Vliehorsexpress en de luchtmacht zijn kennelijk goed want er valt geen schot.
Een half uur hotsen we door de miniwoestijn en langs het strand.

Met lage versnelling en veel lawaai kruipen we het duin op naar het Posthuis. Daar staat weer een gammele houten stellage. Het lijkt wel of alles dat op een eiland in elkaar gezet wordt van aangespoeld wrakhout vervaardigd is. Een schuine plank voor mijn fiets en een laddertje voor mij. Dan zet ik voet op Vlielandse bodem.

Gelukkig is er plek voor mij op het trekkersveldje van De Lange Paal. Ik mag er twee nachten staan van Staatsbosbeheer. Als ik een fietstochtje over het eiland maak zie ik de menigte die camping Stortemelk bevolkt. Zoiets staat me op Ameland ook te wachten, vrees ik, want daar zijn geen natuurkampeerplaatsen. Op Vlieland op de bos- en duinfietspaden heerst redelijke rust. Het dorp puilt uit van de vakantiegangers op huurfietsen.

 

Het is 18 mei 1596 als Willem Barentsz zeil zet naar het noorden. Het is de derde keer en het moet lukken.
De Terschellinger Barentsz had zich twee jaar eerder in laten schrijven als ‘poorter’ van Amsterdam. Hij zou de zeeën en oceanen bedwingen. De vissen zo groot als eilanden en zeemonsters met schubben als pantsers en rookspuwende bekken met messcherpe tanden zou hij onschadelijk maken.
Op weg naar Azië ‘benoorden Nova Zembla om’

 

 

 

 

In de geulen van het Wad hield ‘d’ Engelse Furie in 1666 behoorlijk huis. Ze vernielden de hele Nederlandse koopvaardijvloot en staken ook nog even het dorp West-Terschelling in brand.

Vlieland - Terschelling

De overtochten zijn wel uitersten. Deze maak ik met de Koegelwieck, een supersnelle catamaran veerboot. Men zit in vliegtuigstoelen in de TGV van het Wad. Er is een soort plattelands stewardess, maar koffie of iets anders is er niet te krijgen.
Drie kwartier zoeft het tuig over de Waddenzee.
Ik kampeer op West Terschelling bij SBB.
Alweer op het trekkersveldje. Als ik aankom is er geen plaats, want er zijn voor trekkers, zo als ik, slechts drie plekken. Een stel, kennelijk geen trekkers, moet verkassen.
Later wurmen zich nog twee kletsende dames tussen de tentjes in. Ik zie, en hoor het vooral gelaten aan. In de hoek van het veld staat een tent met twee jonge meiden. Ze werken bij de plaatselijke pizzeria. Ze trekken ook, maar vooral de aandacht van de boys.
Als ze vertrekken bellen ze pa van het vasteland. Die komt om de tent af te breken. De boys regelen een autootje om alles naar de boot te brengen en de meiden lenen van mij de Volkskrant terwijl de mannen zwoegen. Ik ben drie nachten op Terschelling. Dat is genoeg tijd om alle plekken die ik zo goed ken te bezoeken. De bosplaat en de kampeerplaats bij Lies waar ik met Vera was. Ook Slauerhoff logeerde vaak bij zijn tante Anke Pronker op Vlieland en schreef een ode aan het eiland:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het zijn dezelfde duinen waarover Marguerite Yourcenar een sterfscène schrijft.

Opeens hoorde hij geblaat,
was dat niet verwonderlijk: een paar verwilderde schapen woonden in het hart van het eiland; ze hadden net als hij een veilige schuilplaats gevonden.
Het uur van de roze hemel was voorbij; op zijn rug liggend keek hij hoe daarboven de dikke wolken zich vormden en weer oplosten.
Toen kwam plotseling zijn hoest weer opzetten. Hij probeerde niet te hoesten, daar hij het geen zin meer vond hebben zijn verstikte borst vrij te maken. Hij had pijn aan de binnenkant van zijn ribben.
Hij richtte zich een beetje op om wat verlichting te vinden; een welbekende rode vloeistof vulde zijn mond; hij spuwde zwakjes en zag de dunne schuimige straal verdwijnen tussen grassprietjes die het zand bedekten. Hij had het een beetje benauwd, nauwelijks meer dan hij gewend was. Hij legde zijn hoofd op een graspol neer en ging gemakkelijk liggen als om te slapen.

Marguerite Yourcenar

 

Terschelling - Ameland

De vertrekplaats van de boot naar Ameland is “ergens in de haven” waar toevallig plaats is, zegt men. De juiste plek ontdek ik bij toeval als ik een schip zie liggen dat wel eens een veerboot zou kunnen zijn, maar meer op een partyschip lijkt.
Een eilandhopster te voet staat tijden lang op een andere plek te wachten, maar kan toch net op tijd hijgend en puffend met haar zware rugzak aan boord gehesen worden.
De 'Ameland' is een schip waar meestal ‘robbentochten’ mee gemaakt worden. Robbentocht klinkt avontuurlijk, iets voor walvisjagers naar Spitsbergen. Zeehondentochten zijn meer voor mensen die niet tegen de tranen van de jonge zeehondjes kunnen en ze meteen naar de crèche in Pieterburen willen brengen.

De kapitein Theo Mosterdman is een authentieke zeebonk en zijn stuurhut ziet er ook zo uit. Alle mogelijke rotzooi is met draden aan elkaar verbonden. Het radarscherm, het koffiezetapparaat de dieptepeiler en meer meters en klokken. Daar tussenin een onopgemaakt bed in zijn kooi. Hij kent alle onvoorspelbare getijde stromen.
De tocht begint om 19:00 en zal ruim drie uur duren. Ik zou bij wijze van spreken in een kwartiertje van het ene eiland naar het andere kunnen zwemmen of zelfs wadlopen. De vaargeulen zijn grillig en ondiep. Het schip vaart een ingewikkelde koers, zorgvuldig tussen alle mogelijke bakens en boeien die wit op het radarschermpje oplichten. Het schip 'steekt' 70 cm heeft de Schipper Naast God mij verteld.. Op de dieptemeter zie ik dat er vaak niet veel meer dan 10 cm. water onder de kiel overblijft. Langzaam stuurt de schipper de boot volgens de dwingende getijde berekeningen over het Wad. Een dergelijke oversteek is slechts 1 x per week mogelijk.

Het is pikdonker als ik op de camping aankom. De schippersvrouw heeft met de marifoon laten weten dat er nog eilandhoppers aankomen. In het donker moet ik mijn tentje opzetten op een onmogelijke plek vlak naast het receptiegebouwtje, de wasserette en de telefooncellen.
Naast mij komt een troep doofstomme hoppers te staan. Zoals je weet kunnen die behoorlijk veel lawaai maken als ze elkaar uitleggen hoe een tent opgezet moet worden. Vroeg in de ochtend verplaats ik mijn tentje naar een andere plek. Ook niet ideaal, want naast een fietspad, maar ondanks dat veel rustiger. De beste tentenplekken zijn voor de gezinnen die langere tijd daar kamperen met hun luifels en voorluifels, terrasstoelen en windschermen om hen heen.
Slierten rood verbrande vakantiegangers trekken op hun huurfietsen langs mijn tentje. Heen en weer. Even verderop staan de caravans op vaste staplaatsen met eigen tuintje, De Waard kampeerkastelen en vooral horden Duitse jongeren met gitaren en Gettoblasters. Voor mijn rust moet ik daar niet zijn, maar ik ben tot die plek veroordeeld tot dinsdag.

 

 

Als ik Hollum, Ballum, Nes en Buren en al die jongeren overleef, dan mag ik naar Schier.

 

 

 

 

 

 




Eens in zijn leven moet een mens zijn geest richten op de aarde zoals hij die kent en zich totaal overgeven aan een bepaald landschap; het bekijken vanuit zoveel mogelijk gezichtshoeken, zich erover verbazen, er lang over nadenken.

N. Scott Momaday.


Een beroemde plek op Schier: hotel pension van der Werff

Ameland – Schiermonnikoog

In het middaguur ga ik aan boord van de ‘Zeehond’ naar Schiermonnikoog.
Het is opnieuw een tocht van meer dan drie uur in een grote bocht om Engelsmanplaat.
Het waddenhoppen begint al een beetje routine te worden.
Als we aan boord gaan regent het pijpenstelen. De overtocht is droog en mooi.

Een jongetje krijgt bij het inschepen een vishaak in zijn been. De haak is van een formaat waarmee je een haai kan vangen.
Ik probeer het knaapje te helpen maar hij schreeuwt de boel bij elkaar. Toch lukt het uiteindelijk hem los te krijgen.
Zijn moeder wil onderweg persé robben fotograferen. Het blijken steeds aalscholvers te zijn of aangespoeld wrakhout daar in de verte op een zandplaat ligt.
De moeder neemt het mij ernstig kwalijk dat ik haar illusie verstoor, maar het zijn toch echt geen zeehondjes, die zwarte plekjes op het wad. Later zwemt er een zeehondje even met de boot mee.
Hoera, we hebben er een gezien! De zeehonden hype tiert welig op de eilanden. De schippers vangen meer toeristen dan vis lijkt het.

Op Schier zoek ik een kampeerplek bij een boer. Het lijkt me een rustig plekje waar maximaal tien tenten mogen staan. Echter, in de avond komen de Duitse padvindertjes terug van strand en duin. Ze huizen op den deel en ze plaatsen hun versterkers en boxen buiten. Daar had ik niet op gerekend.

De twee grote hotels op het eiland zijn in een competitiestrijd gewikkeld. De ene is het ouderwetse hotel pension van der Werff en dat bestaat al meer dan honderd jaar.
De ander heet ‘de graaf Lambsdorff’ en is nieuw gebouwd in een nostalgische stijl die ook zo kenmerkend is voor de Grand Cafés in de grote stad.
De hele big business clan uit het noorden komt zich er verpozen en de koffie kost daar, gebracht door studenten met een voorschoot om, fl.3,50.
Bij v.d. Werff, aangesloft door vermoeide obers in zwart pak, fl.1,75 inclusief een koekje.
Beide hotels halen hun gasten van de boot in ouderwetse autobussen. Een van de obers met een half brilletje, platvoeten en een behoorlijke alcoholische kegel, bestuurt af en toe de bus.

Bij Lambsdorff draven de Veronica meiden rond. Het hoogtepunt van de strijd tussen de hotels komt als Lambsdorff een verwaande presentator van radio Noord uitgenodigd heeft om op het terras een tweetal heren te interviewen. De een is de voormalige directeur van vliegveld Eelde dat door de presentator hardnekkig ‘Groningen Airport’ genoemd wordt. De ander is een ‘beroemde’ voetbalscheidsrechter die ik niet ken. Beiden hebben niet veel te melden. Ze krijgen daar overigens ook de kans niet toe want de presentator is steeds zelf aan het woord. Hij is enorm met zichzelf ingenomen en vertelt hoe goed hij radio-interviews afneemt.
Een autochtoon maakt bezwaar tegen deze versterkte blaaskaak. Die zit met een fles wijn in een koeler aan een tafeltje en snauwt de eilander af. Op de achtergrond speelt een treurig combo smartlappen van André Hazes.

Intussen maken de shantyzangers van Schier zich op om een uitvoering op het terras van van der Werff te geven. Wat de razende reporter doet uitschreeuwen: “mensen, wij zullen dit gevecht winnen”. Het tegenovergestelde blijkt als iedereen zich walgend afkeert van dit gedoe. Keer op keer die dame met Hazes. Zelfs de scheidsrechter doet mee en zingt over een brief aan God. Een verschrikkelijke vertoning.
Dan zet de pianist van het shantykoor het Groningse volkslied in en iedereen zingt uit volle borst mee. Dat betekent het roemloze einde van de radiospreker. De zangers trekken alle mensen naar zich toe met een prachtige serie zeemansliederen. Met een aantal kan iedereen lekker meezingen. Ik voelde me weer thuis in een Singaround.
De volgende dag is er een optocht van prachtige oude tractoren.
Ze beginnen hun parade op de boerderij waar ik kampeer. Sommige machines moeten een uur van tevoren met een butagasbrander opgestart worden. Een boer met een gloeikop diesel uit Hongarije of een ander Oostblokland zit trots op het monster te schudden en te trillen. Een prachtige sfeer.
Maar overal hoort nog iets bij. In een grote tent bij het dorp treden de regionale grootheden op en er wordt enthousiast aan Linedancing gedaan. Het feest gaat door tot diep in de nacht. De wind waait de muziek mijn tentje in.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Aan het eind van de dertiende eeuw zijn de waddeneilanden vanwege de St Luciavloed van het vasteland gescheiden.



Ik ben geen eilandbewoner en zal weer naar het vasteland terugkeren.

Schiermonnikoog – Lauwersoog

Nu heb ik profijt van het retourbiljet Texel - Den Helder. Hoewel het hier op Schiermonnikoog natuurlijk niet geldig is, gaat iedereen ervan uit dat ik een geldig bewijs voor een overtocht heb. Er wordt niet gecontroleerd.
Met een grote veerboot ben ik in drie kwartier weer op het vasteland.

Ook deze keer moet ik door het oefenterrein van ons dappere leger bij Lauwersoog. Het fietspad gaat er dwars doorheen, tenminste als er geen rode ballen gehesen zijn.
Regelmatig moet ik afstappen als tanks mijn pad omgewoeld hebben. Ik passeer kunstmatige gehuchten die veel gelijkenis vertonen met dorpen in Kosovo.

Henk van Faassen


naar boven


naar Ierland op de fiets