tussen taal en beeld




kunstzinnige vorming in de kibbutzim

1958 het jaar waarin Amerikaanse mariniers een invasie op een strand van Libanon uitvoeren en de badgasten ze hartelijk welkom heten.




vertrek vanaf het Leidseplein

12 mei 1958

Op een van mijn laatste dagen in Amsterdam tref ik Cees Nooteboom op het terras van Reijnders op het Leidseplein.
Hij laat mij trots de drukproef van het omslag van zijn eerste roman 'Philip en de anderen' zien.
Als hij hoort dat ik op reis ga, wil hij onmiddellijk mee. Ik weet niet of dat zo'n goed idee is.
In ieder geval gaat liften in je eentje veel gemakkelijker dan met z'n tweeën.
Ik zal alleen reizen en dat is het beste.






Domkerk Keulen

Keulen
Vanaf de grens heb ik een lift met twee heren en een dame. Ze zien er uit als smokkelaars. De vrouw staart uit het raampje, de twee mannen hebben het over een ingewikkelde zakelijke transactie en ik kan mij lekker laten vervoeren.

Mainz

Worms 13 mei
Omdat het al tegen zessen loopt en ik trek begin te krijgen, ga ik in Worms naar de Jeugdherberg. Ik werk daar een afschuwelijke berg goulash met afgrijselijke koffie naar binnen. In de stad is weinig te beleven. De kathedraal is niet indrukwekkend.

Freiburg

Basel





Bern

Bern 14 mei
Het liften naar Luzern gaat een beetje stroef, maar dat geeft niet. Twee meiden geven me de raad een beetje verderop te gaan staan. Het blijken hoertjes te zijn die last van mijn aanwezigheid hebben. Een een beetje vreemd in het nette Zwitserland. Later passeer ik het tweetal, zittend in de zogenoemde afwachtende houding.


Markt in Altdorf

Altdorf 19 mei
Even buiten Altdorf op, aan de voet van een enorme rots, zet ik mijn tentje op. Die nacht slaap ik slecht omdat ik ieder moment een stuk steen op mijn kop verwacht. Het wordt nog erger als een stelletje berggeiten boven mijn hoofd gaan rondhuppelen, met kleine steenlawines als gevolg. Ik word niet geraakt.




Bergamo

Bergamo 20 mei
Er zijn er twee Bergamo's: 'Basse' en 'Alta'. Het oude gedeelte ligt tegen de berg op en daar moet de jeugdherberg zijn. Met veel gesjouw en een stuk met de funiculaire kom ik boven waar blijkt dat de JH pas over een maand of zo open gaat. Een vriendelijke Italiaan wijst me een hotel, behoorlijk duur, klasse I. Ik zie kans de helft van de prijs af te pingelen. Vorstelijk, met twee kelners naast me, dineer ik op het terras. Geen volledig menu, maar toch mijn maag vol.

Verona


Venetië

Venetië 21 mei
Van Venetië heb me niets speciaals van voorgesteld, maar in werkelijkheid is het een indrukwekkende stad. Met een motoscafo, de varende tram, steek ik over naar het eiland Guiedecca, waar de jeugdherberg is.
St Marco, jammer dat ik doodmoede benen heb. Ik ga maar lekker op een standbeeld zitten.
Jongetjes bonzen met hun hoofden tegen de blikken borden waarop verkiezingsplakkaten geplakt zijn. Een monnik in bruine pij en op blote voeten verbiedt ze dat, maar ze trekken zich er weinig van aan.



Trieste

Kortina



Rijeka

Rijeka 22 mei
Het geluk is nog steeds met mij. In twee liften in TriŽst, dat is 155 km. De autostrada loopt er omheen en ik zie de stad van bovenaf. Meteen verder naar een dorp vlak bij de grens. De laatste lires maak ik op aan citroenen, brood en wijn. De laatste drie kilometer naar de grens leg ik te voet af.

Aan boord 'Novi Sea' 26 mei
Zeer tegen mijn eigen plannen in besluit ik niet naar Zagreb en Beograd te gaan maar in te schepen maar Dubrovnik. De koers van de dollar op de zwarte markt is goed. Ik voel me een rijke toerist.



Dubrovnik 27 mei
Mijn rugzak geef ik aan het staatsreisbureau Putnik in bewaring. Dubrovnik is een oude stad, vroeger de zelfstandige staat Lapad. Even buiten de stad staat mijn tent op een plek aan de zee. In de avond 'spreek' ik met gebaren en tekeningetjes met de mensen van een huis in de buurt waar ik water haal.

Kotor 29 mei
Het liften gaat moeilijk en ik loop 30 km. in de brandende zon. Dan merk ik pas hoe zwaar mijn rugzak is. Ik drink te veel maar kan er niets tegen doen.


Kotor



Matesevo 31 mei
Om twee uur waak ik op uit een diepe slaap. Bijtijds bij de bus waarin ik een goede plaats krijg. Een tocht van vijf uur over een traject dat op de kaart maar 45 km is. De kaart klopt niet en geeft vooral in bergachtige streken een volkomen vertekend beeld.
Mijn plan om zondag in Skopje te zijn moet ik echt wel laten varen. De bus trekt de serpentineweg op en ik krijg een prachtig panorama van het 'fjord' en Kotor te zien. Bij ieder dorp dat we aandoen wordt tien minuten gestopt om de benen te strekken en een cafť aan te doen. In Cetinje, een klein stadje, stoppen we zelfs meer dan een half uur.





Titoveles

Negotino 2 juni
Naar Titoveles krijg ik een lift van een vrachtauto die onderweg een bocht zo krap neemt dat hij een Oostenrijks echtpaar op de motor aanrijdt.
Het valt gelukkig allemaal mee. Een paar schrammen en een verbogen stuur.
In Titoveles ben ik afgezet op een onherbergzame plek. Na kilometers lopen, belooft iemand mij na een uur op te halen. Dat gebeurt ook. Het is een werktuigkundig ingenieur, 35 jaar, communist en erg enthousiast over zijn land en het regime. Hij heeft ergens een stuwdam gebouwd en is daar trots op. Na twee flessen bier vraagt hij wat ik van de democratie in zijn land vind. Het kost me moeite om die vraag heen te zeilen. Het lukt me als we over schilderkunst praten, hoewel hij moderne kunst afkraakt. We nemen als vrienden afscheid.

In de schemer krijg ik nog een lift op een boerenkar. Prettig om eens in dit tempo te reizen. Het blijkt onmogelijk om op de pasgemaaide stoppelvelden een plek voor mijn tent te vinden. Het is donker als ik een plekje in het hooi van een boerenschuur vind.
Pas in de morgen merk ik dat er nog tientallen landarbeiders in datzelfde hooi gapend en rochelend wakker worden.




Efzondi 3 juni
Het liften lukt niet. In de blakende zon loop ik een kleine twintig kilometer. Als ik eindelijk een dorp bereik is al mijn energie op. In een kafana eet ik gebakken kaas en drink er bier bij.
Aan de overkant stopt een trein. Ik ren er naar toe en laat me naar Gevglya rijden, wat niet zo duur is. De laatste kilometers tot de grens leg ik weer te voet af.
Het verschil tussen een Joegoslavische en Griekse grenspost is erg groot. Van een eenvoudig vierkant gebouwtje met twee luie grenswachten, kom ik in een luxieuxe ontvangsthal. In luie stoelen worden de formaliteiten afgehandeld.




Taxi's in Thessaloniki

4 juni, Thessaloniki
De dag begint slecht, Ik krijg geen lift, er is geen verkeer. Na 21 km lopen en lang wachten stopt er iemand. Regelrecht naar Thessaloniki. Daar sta ik dan, zonder drachmen. Het wisselkantoor op het station blijkt gesloten. Ik vraag aan taxichauffeurs naar een goede kampeerplek. Ze vertellen me waar die is en geven mij geld voor de bus en brengen me zelfs met hun taxi naar de bushalte. Daar blijkt een bank te zijn die, als service voor de toeristen, een loket open heeft. Als ik gewisseld heb weigert de taxichauffeur geld voor het ritje.





Kavala

Alexandroupolis 5 juni
Weer ontmoet ik aardige mensen. Als ik langs een paardentuigmaker kom bedenk ik dat ik dingen met een touwtje aan mijn rugzak vast geprutst heb. Ik laat alles nu goed repareren. Het ruikt in het kleine winkeltje lekker naar leer met die halsters en tuigen aan de wand. De zadelmaker is een vader met twee zoons. Ze willen geen geld van mij aannemen, terwijl het toch veel werk is. Als ik om een glas water vraag krijg ik een flesje orangeade.

Edirne



6 juni, Istanbul
De koers in Griekenland is beter dan in Turkije, heb ik van een Deense vriend geleerd. 16 lira voor een dollar tegen 3 of 4 in Turkije zelf. Na het koffiedrinken met mierzoete baklava begint de tocht van Alexandroupoli naar Istanbul. Tot de grens zijn het afschuwelijke wegen over een naargeestige vlakte.




Bushalte Istanbul



Ankara
Een moderne, maar weinig interessante, stad. Grote en moderne regeringsgebouwen domineren. Een sfeer, zoals in Istanbul, ontbreekt.
Ik loop een paar uur rond en krijg dan een verre buslift die me vervolgens weer overgeeft aan een ander die me weer verder brengt.
Deze manier van reizen begin ik al heel gewoon te vinden. Onderweg wordt er vaak en veel gegeten in alle mogelijke smerige eethuisjes. Als je je aan de vliegen en de viezigheid stoort kun je beter nooit naar Turkije gaan. Ondanks dat smaakt het eten mij altijd goed.






Weer verder liften 11 juni
Het liften in Turkije gaat erg goed. Veel lange ritten. Thee en voedsel onderweg is gratis heb ik zo langzamerhand gemerkt en ik maak er geen gewetenszaak meer van. Per slot van rekening vinden de mensen het prettig om me mee te nemen. Het is de gewoonte dat men voor een lift iets betaalt, maar van mij wil niemand iets aannemen. De meeste auto's puilen uit van mensen die met te veel bagage onderweg zijn.

Pozanti 12 juni
Aan het begin van het dorp zitten een aantal mannen tric trac te spelen bij een cafť.
Een van hen zet een officiŽle pet op en vraagt naar mijn 'passaporte'.
Hij kijkt er niet in en nodigt me met een breed gebaar uit om met ze thee te drinken.
Vanaf dat moment ben ik in het dorp de gast van de hele gemeenschap. Iedereen is vereerd om iets voor me te doen. Iedereen die een beetje Engels of Duits spreekt wordt opgetrommeld en moet met me praten.
Met veel omhaal moet ik proberen me los scheuren anders zit ik volgend jaar nog in dat dorp.

Sayhan / Adana

Tarzus


Mersin 14 juni
Volgens zeggen is Mersin een grote haven. Maar die moet nog helemaal gebouwd worden. Dat doet vanzelfsprekend een Nederlandse maatschappij, met een eigen nederzetting.
Als ik in het Nederlandse dorp aankom lijkt het alsof ik in een mondaine badplaats ben.
Hollandse vrouwen in bikini en blonde kinderen aan het strand. Niemand keurt me een blik waardig of spreekt met mij.

Er staat een behoorlijke wind en ik heb moeite mijn tentje op te slaan. Niemand steekt een poot uit. Wat een contrast met alle gastvrijheid die ik onderweg gewend ben. De kinderen hebben een eigen schooltje, de families zitten in prachtige bungalows, de ingenieurs delen de lakens uit en de Turken werken op de baggermolen en sjouwen de basaltblokken voor de nieuwe pier.


Liften naar Israël


De staat Israël bestaat tien jaar
Het is een goed besluit naar het land te liften om te kijken hoe de kinderen in een kibbutz tekenen en schilderen.


Alexandra Winocur, 7 jaar , Israël

Liften heeft mij altijd al aangetrokken.
Naar Israël liften, helemaal over land, moet mogelijk zijn.
Mijn visum staat op een separaat document. Op deze manier hoop ik geen moeilijkheden te krijgen als ik door Syrië en Jordanië wil reizen.
De Israëli's zullen me er bij de Mandelbaumgate wel door laten gaan.
Het consulaat kijkt er niet van op dat ik dat zo wil, er zijn meer reizigers die liever geen Israëlisch stempel in hun paspoort hebben.

Veel geld heb ik niet om uit te geven
Financieel zal ik het moeten hebben van gunstige wisselkoersen op de zwarte markt bij de grensplaatsen.
Jammer genoeg is het niet mogelijk in Nederland aan dollars te komen. Dollars zijn de harde valuta en ik neem ze liever mee dan travellercheques die ik alleen officieel in kan wisselen.
Het gevaar van beroving moet ik maar op de koop toe nemen. Wie besteelt er nu een arme rondreizende tekenaar?
De dollars hoop ik in Zwitserland, waar anders, moeiteloos te kunnen aanschaffen.

De reis begint voorspoedig, maar met weinig interessante liften. Mensen die ik al vergeten bent als ik bij ze uitgestapt ben. Vriendelijk bedankt, en ik kijk al of er soms een auto aan komt.
Een enkele keer sluiten de liften zo snel op elkaar aan dat ik nauwelijks de tijd hebt mijn rugzak af te doen. Andere keren krijg ik het gevoel alsof ik de rest van mijn leven zal moeten doorbrengen aan de kant van de weg.

Duitsland

Op de Autobahn krijg ik een lift van een oud jachtvlieger van de Duitse Luftwaffe. Hij heeft de oorlog als een soort sport beleefd en is eigenlijk niet onder de indruk van het oorlogsgebeuren in WO II en de gevolgen ervan.


Bij Keulen gaat het mis
Er stopt een supersnelle Mercedes open sportwagen met twee keurige heren erin. Ik dacht dat ik een lift kreeg en ik vroeg me al af hoe ik met rugzak en al in die wagen zou moeten passen. Maar dan komen de groene identiteitsbewijzen van de Straszenpolizei tevoorschijn en ik word vriendelijk verzocht de Autobahn te verlaten.
Toen ben ik maar een beetje door Keulen gaan slenteren, wat eigenlijk wel prettig is.
Niet prettig is een Duitse groep scholieren op studiereis. Iets van de Hitlerjugend zit er nog flink in. Vooral het rauwe bevelende geschreeuw van de leiders, als ze iets uitleggen, stoort me.
Dat is ook het geval als ik in een jeugdherberg overnacht.
In de vroege ochtend komt een vrolijke vent met een gitaar ons met Wanderlieder het bed uit jagen.

Een 'Army contractor'
Het is iemand die is voor het Amerikaanse leger handeltjes afsluit. Een tamelijk louche figuur die mij trots vertelt waar hij zoal met militaire toestellen heen vloog. Hij spreekt liever Engels dan Duits. Hij geeft me de naam van een Amerikaanse luchtmajoor in Izmir. Mocht ik in moeilijkheden komen, zorgt die wel dat ik met een legervrachtvliegtuig naar München teruggevlogen zal worden. Een adres heeft hij niet, maar ik zou hem wel vinden.

Zwitserland

Tot Bern gaat alles vlot
In Basel moet ik met de tram naar een gunstige liftplek.
Daarna ben ik in twee liften in Bern waar ik net na het eten bij vrienden, die ik van een vorige liftreis ken, aankom. Omdat het slecht weer is blijf ik een paar dagen logeren.
In een Zwitserse bank koop Ik die felbegeerde dollarbriefjes.
Er is ook tijd voor ontspannen uitstapjes en het bezoek aan een museum.

Het luieren bevalt mij best, maar ik neem me toch voor de volgende dag verder te gaan. Ten slotte ligt mijn reisdoel een beetje verderop.

De dood in de Alpen
In ťťn rit bereik ik de Vierwaldstšttersee maar langs een andere route dan normaal. Ik maak de tocht met een soort dominee, wat ik pas later merk. Hij is in de omgeving geboren en weet er allemaal interessante dingen over te vertellen. Hij laat me onder andere de boom zien waartegen de Belgische koningin Astrid doodgereden is.
Hij weet ook te vertellen dat op een andere plek een vader zijn kind heeft vermoord. De kapel die er nu staat heet daarom 'Kindlimord'. Het hotel er naast hebben ze kortweg 'Kindli' genoemd.

Italië

Per trein door de tunnel
De St-Gotthardtpas.
Het autoverkeer gaat er overheen, maar liften is onmogelijk.
Van Airolo achter op een scooter. Ik breek bijna mijn rug omdat ik mijn rugzak moet ophouden. Mijn kop verbrandt door zon en wind.
Met de bus naar de autostrada.
Het tolkantoor is een geschikt punt om te liften. De tolwachters geven mij een wenk als er een auto is die mijn richting uitgaat.
Met een zeer snelle vrachtauto vlot bereik ik Verona. Via Padua gaat het door naar VenetiŽ.

Een verdrietig meisje
Zeventien jaar en komt uit Essen. Haar moeder en broertje van 15 is ze kwijtgeraakt. Ze zijn op een reis om de wereld en volgen ongeveer dezelfde route als ik maar gaan dan verder door Afrika. Het meeste doen ze te voet, ze hebben duidelijk meer tijd dan ik. Nu weet ze niet wat te doen en gaat terug naar TriŽst. Enige tijd later zie ik de moeder en het broertje aankomen bij de grens. Ze zijn elkaar dus weer misgelopen.

Slovenia

Bij de grens moet ik lang wachten.
Ik dood de tijd met het voeren van gesprekken met de grenswachten. Het zijn erg vriendelijke lui. Ze vragen voor mij aan de automobilisten of ik mee kan. Als vervolgens het antwoord ontkennend is onderzoeken ze als straf de auto extra grondig en langdurig.

Met de bus naar Rijeka
In de bus zitten Joegoslavische jongeren volbepakt met spullen die ze in ItaliŽ gekocht hebben. Dat is mogelijk door een regeling voor 'klein grensverkeer'. Na enige tijd hobbelen over slechte wegen in de bergen blazen de chauffeur en de conducteur uit bij een trieste herberg. De conducteur biedt me een glas Sliwowits aan. Deandere passagiers nemen er ook eentje, de stemming in de bus wordt na enkele glaasjes ook duidelijk beter. De hele bus is vrienden van elkaar.
Een Engelse dame weet in Opatya niet of ze daar zal blijven. Ze aarzelt te lang en de bus gaat al weer verder. Ze moet nu wel naar Rijeka.
Als vrienden gaan alle passagiers uit elkaar.

Een gids
De conducteur zoekt een oud mannetje voor mij die me de weg zal wijzen naar het Studenski Dome, waar ik wil slapen. Het blijkt gesloten te zijn. Ook het privť pension dat het mannetje weet te vinden heeft geen plaats. Als ik vraag of er geen mogelijkheid is om te kamperen schudt iedereen het hoofd. Het mannetje weet raad en brengt mij naar het grootste hotel van Rijeka waar een bed 850 dinar per nacht kost. Hij is verbaasd dat ik toch maar liever mijn tent ergens in het donker neerprik.
Als het de volgende morgen licht wordt blijkt het een prachtige plek te zijn. Het is de tuin van een rijke Italiaan die voor het communistische regime gevlucht is.
De belangstelling van de plaatselijke jeugd is enorm. Iedereen wil met me praten en hun Engelse taal oefenen. Ze brengen zelfs hun leerboekjes mee. Ik lees: 'vandaag is het feest. Het is de verjaardag van president Tito, wij zijn allemaal blij, want Tito is onze vriend'.


Een museum voor mij alleen

Gisteren heb ik een afspraakje gemaakt met een oud mannetje van het museum in Rijeka. Het museum is een kolossaal gebouw met veel marmeren trappen. Ik kan er zonder meer naar binnen, maar er is niets anders te zien dan gangen met deuren. Alles helemaal uitgestorven. Ik word ontvangen door de directeur zelf. Hij geeft me een dame met een bos sleutels mee en zo kan ik de collectie bekijken. Als ik om catalogi vraag, beloven ze me die op te sturen. Ik zie directeur Sandberg van het Stedelijk Museum al zoiets doen.

Macedonië

Met de boot
Toeristenklasse op een wit schip met een luidruchtig gezelschap naar Dubrovnik.. Het wordt een vaart tot morgenmiddag vijf uur, mooi tussen eilanden door. Het weer is schitterend en iedereen slaapt aan dek. Blij dat ik een slaapzak heb en ik hoop lekker onder de sterrenhemel te pitten. De Joegoslaven houden mij echter de hele nacht uit de slaap met geschreeuw en conversatie met lange, luide, uithalen.
In de nacht worden een paar havens aangedaan maar niemand gaat van boord.

Er is een oponthoud van een uur in Split waardoor ik de kans krijg iets van de stad te zien. Volgepakt met worst, kwark, kersen en brood stap ik weer aan boord.
Een vurig communistisch mannetje zit op te scheppen over de dingen die in JoegoslaviŽ allemaal zo goed gaan onder Tito. Een groep jongeren is aan boord gekomen. Ze gaan gekleed in slobberige kaki uniformen en slepen vaandels, koffers, pakjes en bundels mee. Het zijn studenten die drie maanden aan de grote autoweg, de Autoput, gewerkt hebben. Ze zien er moe uit.


Maarschalk Tito begroet de enthousiaste werkers

De man, die typograaf blijkt te zijn, verheerlijkt dit soort werk dat die kinderen toch maar 'vrijwillig' doen. De meisjes zijn precies hetzelfde gekleed als de jongens en ze hebben allemaal insignes en eretekens op hun borst gespeld. Een wisselbeker staat bovenop de bagage, gewonnen met een hoge productie wegenbouw.
Als ik vraag waarom er in een democratisch land nog verschil is tussen eerste klas en toeristenklasse, moet het mannetje plotseling hoognodig naar zijn bagage kijken.
De jongens proberen indruk op de meisjes te maken door alle mogelijke krachttoeren uit te halen. Ze zijn er erg druk mee. Ook gappen ze soms iets van de meisjes en als ze het teruggeven is er gelegenheid een gesprek aan te knopen. Als een hoofddoekje van één van de meisjes daarbij scheurt wordt de politie, die ook aan boord is, erbij gehaald en is het uit met de pret.

Een vermoeiende dag
Er zijn slechts vijf auto's voorbij gekomen zonder mij mee te nemen. Tegen drie uur eet ik wat in een dorpje, was me en houd een siŽsta. Daarna weer on the road tot vijf uur. Tenslotte besluit ik maar op de bus te wachten. Hotsebotsend over afschuwelijke wegen naar Kotor.
Het stinkt verschrikkelijk in de bus, voornamelijk naar uien en knoflook. Voor het eerst van mijn leven ben ik wagenziek. Blij als we in Kotor aankomen. In de tuin van hotel Slavia, het grootste hotel van de stad, vind ik een plek en val doodmoe in slaap. Ik word steeds half wakker van mensen die om mijn tent heen lopen en van honden die verbaasd janken.

Reisburo Putnik
Zoals ik al verwachtte lukt het ook vandaag niet. Het loopt dus weer op autobussen uit. Op het reisbureau stippel ik zo goed en kwaad als het gaat een reis naar Skopje uit. Overstappen waarbij ik vijf uur moet wachten is nog het minste. De bus vertrekt om half vier maar men geeft het advies er al om drie uur te zijn. Ik heb genoeg tijd om Kotor te bekijken.

De Domkerk herbergt, ondanks de armoede van de Joegoslaven, veel oude kostbare schilderijen en relikwieŽn. Voorgegaan door een oud wijfje, weer met een enorme bos sleutels, mag ik alles zien.
Het blijkt dat het wijfje de dinars liever zelf heeft in plaats van dat ik ze in een of ander offerblok stop. Per slot van rekening is de kerk rijk genoeg en zij niet.


Kotor

Kotor is in verschillende handen geweest zoals Oostenrijk en VenetiŽ. De Venetianen hebben er de mooiste dingen achtergelaten. Overal is de Venetiaanse leeuw te zien. Het staatsterras ziet me veel want hun Turkse koffie is lekker. Ik zwem in de prachtige baai, noem het maar een fjord, omgeven door bergen. Kotor lijkt in een hoekje weggedrukt.

Sorry hoor
Precies om drie uur ben ik bij de bus, maar hij blijkt al volgeboekt. Morgen om vier uur gaat de volgende. Na heel veel heen en weer gepraat blijkt er een postauto om zes uur te gaan. Ik mag mee tot Cetinje en daar kan ik misschien verder komen.
Om half acht heb ik nog geen postauto gezien. Ik geef mijn vertrouwen in het vervoersysteem op.
Dan maar de volgende dag weer proberen. De mogelijkheid bestaat dat ik mij verslaap en op deze manier kan ik dus de rest van mijn leven in Kotor slijten.
Eerst was ik een beetje boos, maar alles is zo primitief en eigenlijk nog op ezeltjes ingesteld. En als een ezel niet wil, dan gebeurt er niets. Ze bepalen de gang van zaken bij het vervoer. De marktvrouwen zijn present en bieden op grote stenen tafels hun belachelijk kleine hoopjes waren aan. Ze moeten vaak uren lopen om hier te komen. Waar zit de winst?

Onherbergzaamheid.
Na een rit van vijf uur met de bus komen we op de vlakte waar middenin Titograd ligt.
De stad is afschuwelijk, blakerend in de zon. Veel kazernes en veel hoge huizenblokken met daarnaast een zee van armoedige hutten.
De bus vertrekt pas morgen weer en ik ga weer liften.
Het lukt wonderwel.

Midden in een onherbergzaam berggebied word ik afgezet.
Ik ontmoet daar een Engelsman van het Hemmingway type. Hij heeft een auto waar zijn hele huis op gebouwd is. Twee Duitse jongens komen langs ze leggen deze weg per fiets af. Een krankzinnige onderneming over een weg waar de rotsblokken links en rechts uitsteken. Ze zijn van plan een jaar onderweg te blijven.
Ze volgen dezelfde route als ik, op IsraŽl na.

In een vrachtwagen gebeuren vreemde dingen
In de laadbak een Joegoslaaf en twee jonge vrouwen, waarvan er ťťn ongehuwd moeder blijkt te zijn. Ze heeft een dochtertje van vijf bij zich.
De vrouwen zingen of liever gezegd schreeuwen over het geraas van de vrachtwagen en de wind heen. De Joegoslaaf zoent de vrouwen en knijpt ze in borsten en billen. De man haalt een versleten portefeuille tevoorschijn en laat mij grijnsend een foto van Hitler zien.
De halsbrekende tocht gaat door een woest en leeg berggebied met hoge passen en onbegroeide ravijnen. Het blijkt dat de chauffeurs van het houtbedrijf, tevens een privť transport bedrijf onderhouden. Ze handelen voor iedereen zaken af. In ieder dorp duistere transacties.

Na verloop van tijd stopt de chauffeur met de bijna niet geloofwaardige smoes dat hij water moet bijvullen. Hij opent voor de vorm de motorkap en sluit die weer.
De chauffeur verdwijnt met de ene vrouw de bosjes in. Als hij terugkomt gaat de Joegoslaaf met de andere en krijg ik de eerste aangeboden.
Verbazing van mijn kant. De man haalt zijn schouders op en mompelt 'twee minuten'.
Het kind komt bij mij op schoot zitten en valt meteen in slaap, een wonder, want de truck maakt af en toe geweldige luchtsprongen en we rollen door de laadbak.

Boven op een bergrug bij een schuurtje, dat een cafeetje blijkt te zijn, stoppen we en drinken 'raki' wat daar borrel betekent en eigenlijk Schliwowitz is.
De chauffeur zegt dat dit het eindpunt voor mij is en scheurt weg.
Eenzaam blijf ik achter. In geen velden of wegen een kans op een lift.
In de brandende zon lijken de rotsen helder wit te zijn. Ik kan nauwelijks rondkijken zonder mijn ogen pijn te doen.
Dan verschijnt na een tijdje de truck weer. De Joegoslaaf en de vrouwen met het kind zijn verdwenen. De vrachtwagen neemt me weer mee. In het dal, waar de man hout moet laden is het definitieve eindpunt van deze rit.

Het heeft geen zin hier verder te liften.
Het is een prachtig dal met een stromende rivier. De weiden zijn helder groen. De mensen verwelkomen me als een vriend. Ik krijg te eten. De yoghurt is heerlijk. Jammer genoeg kan ik slecht met de mensen praten, maar met handgebaren bereik ik een hoop. De mensen zijn even arm als boven in het kale berggebied maar de huizen zien er wat beter uit. De velden en de akkers zijn bewerkt. Iedereen, vooral de wegwerkers, zijn traag bezig. Niemand werkt langer dan tien minuten achter elkaar. Ik baad in het ijskoude water van de rivier en ga vroeg slapen.
Voor ik in slaap val brengen twee mannen me kaas, brood en hete melk.

Weer met een vrachtauto
Het handelen onderweg begint weer.
We worden door een soort militaire politie aangehouden en een van de twee kerels vraagt mijn paspoort. Hij bestudeert het aandachtig maar kan er blijkbaar niet uit wijs worden. Het visum kan hij niet vinden en geeft me mijn paspoort maar weer terug.
De chauffeur van de vrachtauto krijgt een bekeuring omdat hij mensen in de laadbak vervoert.
Samen met mij liften ook een stel houthakkers, een vrouw en een oud mannetje mee. We moeten allemaal uitstappen. Als de politie nog geen twee meter verder gelopen is laat de chauffeur ons allemaal weer instappen en onder de ogen van de politie rijden we verder.

Een autobus haalt ons in en daarmee reis ik verder. De bus kan niet harder dan 20 km per uur. Het is een mooie tocht door dit gedeelte van Montenegro. Op de passen ligt nog sneeuw maar op de velden bloeien de bloemen. De fles met Schliwowitz gaat rond. Onderweg wordt gegeten en gedronken bij de kafanas. Bij een ervan, boven op de berg Akor, 1700 meter hoog, eet ik heerlijke yoghurt met vellen, van goede melk gemaakt, dat proef je.

Muzelmannen
We komen in lager land en ik zie de eerste moskee met minaret.
We zijn in MacedoniŽ en als we PeÁ naderen zie ik de oosters uitziende huizen, dicht tegen elkaar aangebouwd. Vrouwen gesluierd en de mannen dragen tulbanden. De kinderen zijn brutaler dan elders.
Op het station aangekomen blijkt er om 6:45 een trein te gaan. Ogenschijnlijk een goede verbinding. Hij staat er inderdaad om zes uur, maar vertrekt pas om acht uur. Alle jongetjes spreken me aan met 'parlez vous francais?' en als ik oui zeg blijven ze stomverbaasd staan.

De politie
Ze moeten me vandaag wel hebben.
Een agent wil weten wat ik aan het schrijven ben. Ik begrijp dat ik op het station, dat een militair object is, niet zoiets verdachts als een dagboek kan schrijven. Hij geeft het op als ik alsmaar geen Kroatisch blijk te verstaan.
De trein is verschrikkelijk oud, de banken zijn hard en de gaslamp geeft nauwelijks licht. Toch zie ik kans op die bank een uurtje te pitten.
In Kosovo polje moet ik overstappen. Ik dacht in PeÁ dat de trein rechtstreeks door ging, maar nee hoor. Een heleboel mannetjes bemoeien zich ermee, beweren zelfs dat er die nacht helemaal geen trein meer zal gaan en proberen me naar een hotel te sleuren.
Ik ontdek iemand die vlot Engels spreekt en hij kan me vertellen dat de Balkanexpres over anderhalf uur vertrekt en dat er over drie uur nog een gewone trein gaat. Die laatste zal ongeveer twaalf keer stoppen onderweg. In de wachtkamer bij het schijnsel van gaslampen liggen mensen, in lompen gehuld, te slapen op de grond. Het is er een onbeschrijfelijk bende. Iedereen loopt er tussendoor en zit met elkaar te praten zonder op de zwervers te letten.
Ik besluit de Balkanexpres te nemen, moet 350 dinar bijbetalen en ben om half twee 's nachts in Skopje.
Het station is groot, veel ruimer dan ik in Nederland ooit zag. Enorme hallen, maar wel weer die smerige bende van slapende mensen in verstelde kleren, lap over lap, op een manier zoals je alleen in boekillustraties ziet als die een zwerver uitbeelden.

In de nacht lijkt Skopje me een tamelijk moderne grote stad met mooie winkels. Met hulp van een Duits sprekende man vind ik een plek aan een rivier in het 'Vondelpark' van Skopje.

Griekenland

Het Joegoslavisch geld blijkt in Griekenland bijna niets waard te zijn. Voor een klein glas citroensap betaal ik 200 dinar en dat is ongeveer twee gulden. In het dorp Efzoni, waar ik mijn tent op wil slaan, ontmoet ik een Deen die juist uit Turkije terug komt. Hij logeert bij me in mijn tent en we kunnen reiservaringen uitwisselen. Hij geeft me waardevolle tips over het wisselen van geld op de zwarte markt. In het dorp krijgen we van iedereen brood en kaas. De mensen zijn hier weer gastvrij.
Bij mijn tent kruipen twee enorme schildpadden rond en aan de lucht te beoordelen staat mijn tent op hun poepplek.

Thessaloniki
Een bus brengt me naar een voorstad met een naam die klinkt als 'karbonaadje'. Daar zal ik kamperen. Mijn maag spreekt een woordje mee. Naast de plek waar mijn tent aan het strand staat is een restaurantje waar ik wil eten. Twee heren nodigen me uit aan hun tafeltje en betalen alles wat ik eet. Het is lekker en goed, Kalvkichi Melanzana. Ik ben geroerd door de vriendelijkheid van de mensen hier. Een van de heren is inkoper voor een warenhuis, de ander is schilder. Ik zit hier prettig met de golven aan mijn voeten tot het donker wordt. Mijn tent staat in feite midden op straat, maar dat is hier geen probleem.

Een gelukkige rit van 328 km
Een stadsbus neem mij als lifter mee.
Betalen hoeft niet, zelfs niet als de controleur langs komt. Iedereen vind het blijkbaar normaal dat een jongen met een rugzak gratis mee gaat. De stadsbus maakt zelfs, met alle passagiers erin, een omweg om me bij de uitvalsweg af te zetten. Even verder roept iemand van een lijndienst me. Hij controleert vanuit een cafť de bussen. Hij zegt me te wachten en weer ga ik voor niets met een bus mee, nu naar Langadila.
Onderweg twee keer kaartjescontrole maar ook die zeggen niets van mijn aanwezigheid zonder vervoerbewijs. Stel je voor dat je dat in Nederland overkomt in een lijnbus. Thuis is dat 'zwartrijden'.
De bussen zijn overigens krengen. Ze rammelen bijna uit elkaar en nemen alles mee. Manden vis, boeren met kalveren op hun schoot, landbouwgereedschap en zelfs hele boomtakken. Ik heb met mijn rugzak maar een bescheiden bagage.

Kavala
Een mooie vissersplaats waar een Turkse burcht boven gebouwd is. Er is een aquaduct met hoge bogen. Ik teken wat in de haven, wat bijna onmogelijk is. Twintig tot dertig mensen komen om me heen staan. Ze presteren het zelfs vlak voor mijn neus te gaan staan. Als mijn tekening klaar is ga ik met mijn pet rond en vang zelfs nog wat kleingeld. Ik word zo langzamerhand hoorndol van al het gevraag waar ik vandaan kom en waar ik heen ga en hoe oud ik ben. De kleine jongens klitten als vliegen aan me. 'speaken englis' verder gaat hun beheersing van vreemde talen niet.

Intellectuele gesprekken
Een Canadese professor in de mathematica, geboren in India neemt mij mee. Hij is jong en intelligent en we voeren ingewikkelde gesprekken die voor mij erg vermoeiend zijn.
In sommige dingen is hij erg naÔef. Hij vertelt me alles over een liefde in Parijs. Het is een schrikachtig type. Iedere keer als er een hond blaft raken we bijna van de weg af. Hij heeft geloof ik zeven maanden vakantie per jaar en reist nu in z'n eentje met een Volkswagen door Europa. Hij zal me naar Istanbul brengen.
Dat is een enorme meevaller.

De gesprekken gaan over mathematica en daar snap ik niets van. Toch lukt het me af en toe hem iets uit zijn kop te praten. Zijn manier van praten is op en top Canadees, of liever Amerikaans. Het is vreemd om hem zo enthousiast te horen vertellen. Hij praat maar door en vlug ook nog.
In Alexandropoulis zoeken we een hotelletje en eten wat.
Het geklets gaat voortdurend door. Af en toe val ik bij de wijn in slaap. Hij merkt het nauwelijks. Gelukkig valt hij in het hotel snel in slaap.
's Morgens begint het geklets van de professor weer. Ik geloof dat hij een beetje waanzinnig is. Zo te horen is hij compleet ondersteboven van zowel Russische propaganda als die van de Verenigde Staten. Ik heb moeite zijn gedachtegang bij te houden.
Na een tijdje vraag ik of hij Duits wil spreken. Op die manier heeft hij tenminste moeite met de taal. Ik hoop dat de gesprekken dan wat minder ingewikkeld worden.

Turkije

Geldwissel
Het is namelijk zo dat de bank in Griekenland maar 95 lira per persoon geeft en dat in je paspoort schrijft. Bij de wisselaar op straat kan je net zoveel krijgen als je wilt, natuurlijk tegen een mindere koers, maar altijd nog voordeliger dan de officiŽle.
Over voordelig gesproken. Het hotelletje kostte me die nacht 11 drachmen en dat is 88 cent. Een net en zo schoon mogelijk hotel.
We eten vlak over de grens het eerste Turkse voedsel en dan gaat het verder. Bij de grens is een opeenhoping van slordig geparkeerde auto's sommigen met een dekzeil eroverheen. Kennelijk zijn niet alle Duitse Mercedessen makkelijk in te voeren.

De weg naar Istanbul is, vergeleken bij die in Griekenland, veel beter. Het land is nu glooiend en mooi in verschillende kleuren. De professor vindt het een beetje op Canada lijken.
Turkije heeft veel soldaten op de been. Bij elke brug staat er ťťn op wacht. In het donker komen we in Istanbul aan. Mijn professor wordt een beetje nerveus als hij niet meteen het centrum vindt. Hij rijdt als een wildeman in het rond. Toch kan hij een hotel vinden en ik kom bij de YMCA terecht waar ik kan slapen.

Istanbul een grote stad
Armoede, moskeeŽn, bazaars, sjouwers, taxi's en massa's vervallen huizen die in hoog tempo gesloopt worden.
Er zijn kale plekken in de stad die doen denken aan de gevolgen van een bombardement. De militairen doen het sloopwerk en dat verhoogt de oorlogszuchtige stemming nog meer. Toch is het een fantastisch gezicht te zien hoe de huizen door de bulldozers neergehaald worden.
Ik zie de blauwe moskee, dat is wel even wat anders dan die puinhopen.

Paniek
Bij de YMCA krijg ik de stuipen als een vent uit India schreeuwt dat hij bestolen is. Het is een Sikh met lang haar en tulband. Geld en paspoort weg. De politie wordt erbij gehaald en ik krijg het een beetje benauwd.
Mijn geld, dollars in makkelijk wisselbare kleine coupures, heb ik aan de beheerder in een kluisje in bewaring gegeven. Dat geld mag ik dus officieel niet hebben en als de politie het vindt zouden ze me van diefstal ervan kunnen betichten omdat niet in mijn paspoort staat dat ik het bezit. Via de beheerder begrijp ik dat de vent uit India ook dollars had, maar in grote coupures. Ik kan de beheerder dus overtuigen dat ik niets met de zaak te maken heb en hij belooft de politie buiten het bereik van mijn centjes te laten. Gelukkig vindt de sufferd zijn spullen terug.

De Aya Sofia
Het is al heel lang een museum en geen moskee meer, maar nog steeds zeer indrukwekkend met prachtige mozaÔeken.
Het Serail is vandaag maar gedeeltelijk te bezichtigen dus ik moet er nog een keer naar toe.
Met een boot naar Bebek even buiten de stad om Topkapi te bekijken. Een kasteel dat de hele Bosporus beheerst of beschermt. Istanbul in staat van beleg.

Rellen
Overal staan tanks op de hoeken van de straten en op de bruggen. Militaire wachtposten en politie die met traangas in de weer is.
Het gedoe gaat om Cyprus dat volgens Turkije maar eens terug moet.
Er worden toespraken op een groot plein gehouden en er zijn relletjes. Feitelijk gebeurt er niets maar het is wel indrukwekkend.
Op de dormitory heb ik een opgewonden gesprek met een Libanees over IsraŽl. Bijtijds hou ik er mee op, voordat er hier op Amerikaans grondgebied door een Hollander met een Libanees gevochten wordt.
De man is heetgebakerd en wil met iedereen erover praten.
Een typisch Britse jongen komt met een paar builen en schrammen uit de stad terug. Hij vertelt dat hij op het plein was en daar tussen de politie en demonstranten terecht kwam. Hij meende te moeten schreeuwen 'I am British' omdat hij dacht dat de Engelsen overal een streepje voor hebben. Dat had hij nu niet moeten doen, want na de Grieken hebben de Turken enorm de pest aan Engelsen. Hij kreeg dus meteen van twee kanten meppen. Met recht eigen schuld dikke bult.

Topkapi
Ik dwaal door het paleis van de machtige heersers van het grote Osmaans Turkse rijk. Sinds Turkije een republiek is mag niemand meer een fez dragen en een harem houden. Toen nog wel. Je waant dat de Kaliefen Pashja's en de Sultan nog rondlopen om een mooie meid uit één van de kleine haremhokjes te plukken.
De harem is een doolhof van gangen en binnenplaatsjes. Kamers met tapijten en dure kussens op rustbanken maar er zijn ook genoeg ijzeren kooien voor de meer onwillige dames. De tuinen zijn prachtig en overal kijk je vanaf de terrassen uit over de stad en de zee.
Verder zijn er veel wapens en oude jassen van de Sultan. Kostbaar porselein voornamelijk Chinees, in alle dynastieŽn. Schatkamers vol zilver en gouden voorwerpen. In die tijd werd er veel gegeten want overal kom je in het paleis keukens tegen. Het zijn hoge hallen met een geweldige schoorsteen waar boven grote vuren in potten gekookt werd. Potten zo groot dat je hele familie er een bad in kan nemen.

Als contrast is er een alarmoefening, compleet met vliegtuigen. In de avond nog eens. Het lijkt erop dat Turkije een oorlog aan het voorbereiden is.
Zo'n stemming is er, ook tijdens de Cyprus affaire, en er vallen doden.
Toch gaat het vrolijke leven gewoon door. Het is hier voortdurend kermis.
Ik spreek een Turk die in JoegoslaviŽ geboren is. Hij werkt voor reisbureau Putnik en spreekt vloeiend Engels. Hij legt me de politieke situatie uit.

De middagen breng ik in luiheid door, zo ook de avonden. De menigte in de YMCA is zeer laat in het naar bed gaan en we zetten veel thee want er zitten veel Engelsen hier. Er is een Engelsman die gewapend met een floret, verborgen in een wandelstok, rond loopt. Hij is ook van plan naar SyriŽ te gaan.

Taalles geven?
In de stad koop ik een paar pockets die hier spotgoedkoop zijn. Ik lees ze maar kan ze niet meenemen.
Drink Áay en praat met mensen die allemaal hetzelfde van me willen weten. Overigens is het theedrinken door Attaturk bij wet bevolen. De koffie-import kost teveel. Turkse koffie drinken in Turkije is not done.
De Turken die ik ontmoet in de YMCA willen allemaal Engels met me praten. Ze hebben Engelse en Duitse taallessen.
De meeste lui in de YMCA geven zelf ook les en verdienen er aardig mee.
Ze nodigen mij uit om in een vakantieoord aan de Zwarte zee ook Engels te gaan geven. Maar dat begint pas in juli en dat duurt me te lang.

Weer op pad
Een oversteek naar Kadikoy aan de andere kant van de Bosporus.
Bij een benzinestation in een kleine plaats kan ik op een lift wachten en ik krijg een gratis plaats in een bus naar Ankara aangeboden.
In één ruk 325 km in de nacht, g
eklemd tussen de bil van een zeer dikke dame en die van een iets minder dikke man.
Iedereen valt over elkaar heen in slaap. Erg ongemakkelijk in de hotsende bus. Het is maar een klein voertuig en er zitten veel te veel mensen in.
Hoe de bus en de chauffeur het uithouden in de bergen is me een raadsel. Het is een lange tocht waarbij vaak gestopt moet worden om even aan de bus te sleutelen. Toch komen we 's-morgens heelhuids maar slaperig in Ankara aan.
Meteen na aankomst wordt er thee gedronken.
Er is op het busstation een wasplaats zodat ik me weer een beetje fris kan voelen na zo'n nacht.
Er zijn kleine busmaatschappijtjes die met twee of drie busjes alle mogelijke richtingen uit gaan. Luid schreeuwend bieden ze hun diensten aan. In theorie vertrekken ze op een bepaalde tijd, in de praktijk pas als ze vol zijn.


Deze mannen weten alles

Het binnenland
Op mijn reis ontmoet ik een kleine karavaan die door de troosteloze vlakte trekt. Passeer de immens grote zoutmeren, grotendeels opgedroogd. Ooievaars vliegen hier met tientallen tegelijk over. Ze schijnen niet schuw te zijn. Er zijn ook veel roofvogels.
In dit land dragen de mannen petten die veel te groot zijn, miezerige gestreepte jasjes en wijde broeken met een omvangrijk laaghangend kruis. De pijpen zijn weer smal. Het is heel gewoon je pyjama op straat aan te houden tot midden op de dag als dat zo uit komt.
De vrouwen hebben allemaal omslagdoeken en bedekken met een slip ervan hun gezicht. De slip houden ze met hun tanden op z'n plaats. Ook de vrouwen hebben wijde katoenen broeken met het kruis tot op de grond.


Groentekraam aan de kant van de weg

In de stad zie je meer modern geklede vrouwen. In de dorpen komen overdag geen vrouwen op straat ook niet als er thee gedronken wordt. Waar ze zitten weet ik niet. Het was zelfs zo dat ik door mannen uitgenodigd ben om in een restaurant te eten. Na een uitgebreide maaltijd verontschuldigen zij zich: ze moeten nog thuis met hun familie eten.
Alle mannen hebben een rozenkrans met vierkante gele of blauwe kralen. Ze lopen er de hele dag mee en slingeren die voortdurend met een handige beweging om hun duim. In de theehuizen speelt men met beduimelde kaarten, tric trac op een bord waar de velden bijna niet meer te herkennen zijn en een dominospel met bronzen stenen.


Naar de chroommijnen
Na een tocht door een mooi berglandschap met besneeuwde toppen en door een bevloeide en bebouwde woestijn word ik in het kleine dorp Pozanti afgezet.
Een van de mannen in het dorp is een jonge mijnbouwkundige ingenieur die in de omgeving in de bergen naar chroom graaft. Een prettige jongen die zijn praktijkstage in Duitsland deed. Hij spreekt Duits op een Zwitserse manier. We praten veel met elkaar.
In het huis dat de mijnmaatschappij voor hem heeft gehuurd krijg ik een slaapplaats en hij betaalt mijn diner en ook mijn ontbijt. De avond breng ik theedrinkend door.
Eigenlijk was ik van plan snel verder te liften maar dat wordt me niet toegestaan. Eerst een imitatie van een Europees ontbijt. Ze hebben er speciaal dingen voor ingekocht.
Men weet wel de een of andere auto die me zal brengen waar ik wezen wil. Die zal dan en dan gaan. Natuurlijk is daar geen sprake van en zo gaat de dag voorbij.

Ouderwetse ontdekkingsreis
De ingenieur neemt me de volgende dag mee op inspectietocht in zijn oude Dodge-jeep de bergen in. Langs smalle paden en diepe ravijnen.
We komen op plekken waar de mensen denken dat de Sultan nog aan de macht is. Buitenlanders heeft dat nomadenvolkje nog nooit gezien.
Ze wonen in haastig getimmerde hutten en leven van de schapen en een beetje landbouw. De laatste tijd hakken ze hout en brengen dat naar de spoorlijn van de mijn.
Hun contacten verlopen via de enkeling die naar het dorp afdaalt om zaken te regelen. De rest blijft boven en hoedt de geiten. Ik vermoed dat iedereen die herders maar een beetje in onwetendheid laat. Dat is ook makkelijker in verband met de chroommijnen. Ze zouden eens aanspraken kunnen maken.
Op deze tocht worden mijn darmen uit mijn lijf geschud. We komen bij een diepe kloof waar een stel arbeiders verschrikt aan het werk gaat. Wat ze moeten doen is me niet duidelijk. Af en toe gooien ze een rotsblok naar beneden en hakken een beetje in de rotswand.
De rivier de Tarsus stroomt er snel langs. De arbeiders slapen op primitief getimmerde banken van takken en bladeren in de open lucht. Al hun bezittingen hangen ergens in een zak aan de rotswand. Het is een bizar gezicht die wand met al die pungels. Ze bakken en koken zelf en drogen een soort smakeloze dunne pannenkoeken in de zon. Er is een klein moestuintje bij de bron, dus ze moeten hier al geruime tijd bezig zijn.
Zo leven die twintig mannen daar, afgesloten van de buitenwereld, tot dat de ingenieur ze komt opschrikken.

Mersin

Tegen de schemer kom ik daar aan en ontmoet iemand die mij vertelt dat er in Mersin een Nederlands dorp is voor de mensen die aan de nieuwe haven bouwen. Hij denkt dat ik bij mijn landgenoten wel welkom zal zijn. Maar het is anders

Die nacht slaap ik op het balkonnetje van de havenmeester van Mersin dat boven de zee hangt. Natuurlijk weer eerst çay en dan kruip ik onder het belangstellende oog van vele havenmensen in mijn slaapzak.
In de haven is, behalve een baggermolen en een zandzuiger geen schip te bekennen. De baggeraars maken de hele nacht zo'n kabaal dat ik geen oog dicht doe.

Mersin blijkt een vrij grote stad te zijn.
Er zijn zelfs verschillende consulaten. Ik ontmoet een Nederlander die wel aanspreekbaar is. Hij werkt ook voor de Amsterdamse havenbouw maatschappij en is hoofd van de correspondentieafdeling. Hij heeft een grote culturele belangstelling.
Hij dringt er op aan om bij het Nederlandse dorp te gaan kamperen, ondanks mijn slechte ervaring gisteren. Ik maak nu kennis met verschillende mensen die nu wel aardig tegen mij doen maar het is nog niets vergeleken bij de gastvrijheid van de Turken onderweg.
Hier is het een gesloten gemeenschap van 'Delftmensen'.

Gen visum voor SyriŽ en Libanon
Het blijkt dat de Amerikanen een soort landing uitvoeren in Libanon. De boel is daar behoorlijk gespannen en de grens zit voorlopig dicht.
Nu moet ik proberen per schip Haifa te bereiken.
Een autobusje van de havenbouwers brengt me naar de agent van Turkish Maritime. Die blijkt mij geen ticket te kunnen geven omdat hij op nadere orders wacht in verband met de invasie van de Amerikanen.

Ik ga maar wat zwemmen op het nette strand bij het Nederlandse dorp. Men doet weer uit de hoogte als ik me vertoon. Maar de zee is blauw en de heuvels hebben een prachtige tint in de ondergaande zon, dus stoor ik me maar niet aan die bekakte Hollanders.
De muziek van de baggermolens is ook hier te horen en vermengd zich met de Eroica uit draagbare radio's.
Eťn ding is prettig. De kinderen, dat zijn er heel wat, zijn niet nieuwsgierig en laten me met rust. Kortom een dagje Zandvoort.

Kunstenaarskring
De administrateur van de havenbouw nodigt mij uit voor een bakkie koffie. We wandelen door de stad, zwemmen wat en drinken weer thee. We hebben een afspraak om drie uur bij het standbeeld van Ataturk om naar een kunstenaarskring te gaan. Ik ontmoet er een Turkse kunstschilder met zijn vrouw die ook schildert. Hij woont in het huis waar de bijeenkomst gehouden wordt. Een dichter, een filosoof, nog een schilder, die net een tentoonstelling in Istanbul achter de rug heeft, en nog een schilderes. De gastheer heeft in Parijs gestudeerd. Het gesprek gaat in het Frans en de filosoof heeft het hoogste woord. Het is een aardig clubje en er wordt besloten ter mijner ere een feestje te bouwen. Het wordt een mieterse avond met veel eten en wodka. Ondanks de verlichte sfeer zitten de vrouwen een beetje achteraf tegen de muur en nemen maar af en toe deel aan het gesprek. Iemand is bezig een portret van mijn vriend, de man van de havenbouw, te schilderen.
Een busje van de maatschappij brengt ons laat in de nacht terug naar de Hollandse nederzetting.


Kemal Atatürk

De kinderen zingen:
Welkom, halaskar commandant
U bent welkom münci-i âlişan
Hoe lachen deze dingen
Yaşa Kemal Pasha je leeft duizend jaar.

Er was indertijd een burgeroorlog gaande maar daar kwam in 1923 een einde aan en Turkije werd een republiek en Mustafa Kemal werd president. Het kalifaat werd afgeschaft en de hoofdstad werd Ankara, dat eigenlijk toen nog een dorp was.
In 1934 kreeg Mustafa Kemal de bijnaam Atatürk, wat ‘Vader van de Turken’ betekent.
Er werd vastgelegd dat niemand anders die naam mocht dragen. Atatürk nam nadrukkelijk afscheid van het verleden.
Duizenden nieuwe scholen met basisonderwijs dat gratis was, maar wel verplicht. Het Latijnse alfabet moest geleerd worden De mannen mochten geen fez meer dragen. Vrouwen kregen kiesrecht.
Iedereen moest een familienaam hebben. En Kemal vond het beste dat er maar één partij in het land was.
Het leger bemoeide zich regelmatig hardhandig met de politiek.
Mustafa Kemal Atutürk overleed op 10 november 1938 op 57-jarige leeftijd. Hij ligt begraven In een speciaal voor hem gebouwd mausoleum in Ankara.

Alles wijst erop dat Erdogan van het seculiere Turkije een islamitische staat wil maken die doet denken aan het vroegere Ottomaanse Rijk, waarbij hij ervan droomt om Atatürk te overtreffen als staatsman, of in feite als dictator.
Het lijkt er sterk op dat Erdogan de erfenis van Atatürk, die geen duizend jaar geleefd heeft, probeert uit te wissen.





Belangstelling voor de invasie van de Amerikaanse mariniers

Mariniers op het strand

Als ik in de Turkse havenstad Mersin een visum voor Syrië en Libanon probeer te krijgen, lukt dat niet.De politieke situatie in de regio is behoorlijk gespannen en de grens blijft voorlopig dicht.
De Libanese president Camille Chamoun heeft de hulp in van de Verenigde Staten ingeroepen.
De Amerikanen hebben toevallig toch een marinevloot voor de kust van Libanon liggen en voeren een landing uit op het strand van Khalde vlakbij Beirut.
Dat is een merkwaardige gebeurtenis. De mariniers waren voorbereid op een invasie in oorlogsgebied, maar worden hartelijk verwelkomd door zongebruinde Libanezen die genieten van een mooie stranddag.

6 juni, a/b ms Marmara
Met zeer veel gehannes en tegen een hoge prijs in Dollars, schaf ik een ticket voor een zeereis naar Israël aan. Met een zak vol waardeloze valuta stap ik aan boord.



Voor anker in Iskanderun 17 juni
Het schip blijft er wegens uitgebreide onderzoeken door politie en douane, geruime tijd liggen.




Inschepen naar Haifa

Het boeken van mijn zeereis is, gezien de onzekere toestand in Libanon geen eenvoudige zaak
. Ook zijn de de prijzen van de overtocht verdubbeld en er zijn moeilijkheden met de betaling.
Ze eisen dat ik in dollars betaal, terwijl ik een zak vol lira's goedkoop gewisseld heb en daarvan de reis gemakkelijk kan betalen.
Maar die Lira's kan ik niet verantwoorden en dus kan ik er geen ticket mee kopen.

Na veel heen en weer gedoe verzorgen de bank en de agent van Turkish Maritime toch de hele transactie en kan ik vannacht vertrekken. Ik moet me wel voor donker melden.
Het ms. De Marmara ligt namelijk in de baai voor anker en ik moet met een roeiboot overgeroeid worden.
Omdat Ik 3e klasse geboekt heb slaap ik tussen emigranten, ergens diep onder in het schip.

's-Morgens vroeg gaat het schip in Iskanderun weer voor anker.
We mogen niet van boord ondanks het feit dat we pas weer 's middags verder varen. Het heeft allemaal te maken met een uitgebreid douaneonderzoek. Vooral de emigranten moeten het ontgelden. Ze hebben tafelzilver en dergelijke bezittingen bij zich en moeten daarvoor hoge uitvoerrechten betalen.
Mij laten ze met rust.

Terug voor een stempel.
Bij hoge uitzondering mag ik naar de wal om mijn post op te halen.
Als ik terug kom is het douane onderzoek nog aan de gang. Iedereen moet in de hutten en slaapzalen blijven, wat in de hitte van de dag eigenlijk niet te doen is.
Ik verveel me dood.
Als buitenlander ben laten ze mij vrij rondlopen. In de bar aan het dek is het beter uit te houden.

Helemaal aan het eind van de operatie blijkt dat ze vergeten zijn mijn paspoort af te stempelen.
Weer moet ik, op eigen kosten, met een roeiboot naar de wal om bij de politie een stempel te halen.
Voor mijn waardeloze lira's koop ik een paar mooie kunstboeken en verstuur die naar huis.
Ik eet wat in een havenreataurant. Dat blijkt geen slecht idee te zijn want terug op het schip blijkt de 3e klas eetzaal verzegeld te zijn. Immigranten krijgen niets meer te eten.
In de loop van de reis dring ik door tot de eetzaal 2e klasse. Niemand zegt er wat van zolang ik maar de hoge prijzen in dollars betaal.

Eindelijk is de tocht naar Haifa begonnen.
Er is meer deining dan gisteren en er zijn veel mensen zeeziek. Gelukkig heb ik er weinig last van alhoewel er voortdurend een onbestemd gevoel in mijn maag is.
De onophoudelijke harde gesprekken van de Turkse emigranten wekken me vroeg.
Ontbijt in de eerste klas restauratie voor mij.



Jeruzalem
18 juni
Als ik in Jeruzalem aankom is er af en toe onrust. Er zijn geweerschoten te horen en iets dat lijkt op mortiervuur. Niemand trekt zich er echt iets van aan.
De straten naar het oude deel van de stad zijn dichtgemetseld met betonnen muren die slechts een kleine gleuf openlaten.
Ik mag er niet doorheen.


Jeruzalem / Olijfberg

Tel Aviv 25 juni
Liften naar Tel Aviv gaat betrekkelijk goed. Er zijn veel militairen onderweg en die worden altijd eerst meegenomen.
Ik krijg een lift van een machinekundige die een beetje achter loopt. Als hij hoort dat ik ook naar Eilat wil zegt hij bezorgd dat ik maar eerst eens bij de politie van Beersheva moet informeren of alles al veilig is. Zo niet dan moet ik om een geweer vragen. Belachelijk.



Langs de weg liggen kapotgeschoten auto's als een soort monumenten. Ze houden de IsraŽli's waakzaam.


Akko (Accra)

Akko 27 juni
Een bezoek aan de oude Arabische stad in het noorden van het land. Een een vriendin die ik uit Nederland ken, brengt mij er heen in haar auto, een jeepachtig ding.
Onderweg nemen we een paar lifters mee. Het is een vreemd gevoel nu in een omgekeerde positie te reizen.










Het beloofde land Israël

Israël komt in zicht en de emigranten raken opgewonden en verdringen zich aan de reling om het beloofde land te zien. Ik ook. Het zal nog wel even duren voor we kunnen ontschepen.
De politie komt aan boord voor de paspoortcontrole. Alles verloopt vlot.
De Israëlische douane valt mij niet lastig.

Snel vind ik een trein naar en om half negen in de morgen sta ik in Jeruzalem.
Ik logeer bij mijn pleegzus Elly.

N
a mijn zwerversbestaan voel ik mij erg ongemakkelijk.
In nette geleende kleren moet ik naar een vervelende housewarmingparty. Behalve de kleren, voelt het leven, in een huis, in een stad, bijzonder ongemakkelijk. Ik sla me moedig door het feest heen.

Daarna naar 'Imbal', een Jemenitisch ballet, eigenlijk meer theater dan ballet. Het bevalt me wel hoewel mijn ogen de laatste helft van de voorstelling van vermoeidheid dicht vallen. De schouwburg is nog niet afgebouwd maar het zal allemaal wel mooi worden. Een enorme ruimte, maar ondanks dat erg benauwd.

Ik moet oppassen dat mijn pleegzus niet teveel beslag op me legt anders zie ik niets van de stad.
Af en toe werken we samen in haar atelier, ik teken wat en zij probeert sieraden te smeden. Ze hoopt op die manier haar vak weer op te kunnen pakken. Het lukt haar niet in dit land.



The Trap [L] The House of Cards [M] The Unborn [R] / Mordechai Ardon

Kennismaking met Mordechai Ardon
Hij wordt als Israël's grootste schilder beschouwd. Hij studeerde aan het befaamde Bauhaus bij Klee, Kandinsky, en Feininger. Behalve beïnvloed door het Bauhaus haalt hij tijdens zijn studie aan de Academie van München zijn inspiratie bij de oude meesters, speciaal Rembrandt en El Greco. Die schijnbare tegenstelling is in zijn werk te zien.
Ardon gelooft in zuivere kunst zonder politieke- of maatschappelijke boodschap.
Toch ontkomt hij er niet aan zich via zijn kunst te verzetten tegen de oorlog en het onrecht in zijn land. Hij schilderde tussen 1955 en 1988 acht monumentale triptieken op dit thema.

In een brief aan Willen Sandberg, die indertijd de eerste directeur van het Israël Museum was, schreef hij over zijn innerlijke tegenstellingen die hij vergelijkt met een conflict tussen Athene en Jeruzalem.

For thousands of years Jerusalem has been thundering against Athens, against the radiant, the Apollonian, the Dionysian Athens. How I admire Athens! How godlike and bright does a Matisse wander about there. His canvas breathes the sweet fragrance of the Mediterranean - morning fragrance is in the air.


'The House of the Maggid' / Mordechai Ardon [1954]

Een Maggid was een rondtrekkende prediker en verteller van verhalen.


Jeruzalem, de Hebreeuwse Universiteit

De Hebreeuwse universiteit
Een bezoek aan de universiteit die gevestigd is in moderne en efficiŽnte gebouwen op een heuvel buiten de stad.
Ze vormen een mooi contrast met de natuur. Heldere bouwsels in de droge, met olijven begroeide, heuvels.
Vandaar neem ik de bus naar Ein Karein, een Arabisch dorp waar Johannes de Dooper vandaan komt.
Behalve de sfeer van voortrekkers en emigranten, probeert men de Bijbelse geschiedenis voor de toerist zichtbaar te maken.
Jammer genoeg kom ik niet tot tekenen in de zinderende hitte.

Ontmoeting met Dan Hoffner
Mordechai Ardon is verbonden aan het Ministerie van Onderwijs en Cultuur. Hij zal me in contact brengen met de schilder Dan Hoffner.
Die is in Leipzig geboren en emigreerde in 1936 naar Israël. Hij studeerde aan de Bezalel kunstschool in Jeruzalem waar hij later directeur van werd. Hij veranderde de school in een echte kunstacademie. Tevens is hij inspecteur voor het Kunstonderwijs.
In Tel Aviv heb ik mijn ontmoeting met hem. Hij geeft daar les aan een kweekschool. Hij laat me zijn werk en veel kindertekeningen zien.

Een museum in Tel Aviv

Er hangen oude Hollandse meesters, Vermeer, Maris, IsraŽls, maar ook Epstein, Monet, Utrillo, Rodin en natuurlijk Chagall.
Ter gelegenheid van het 10 jarig bestaan van de staat Israël exposeren de meeste Israëlische schilders er. Ze geven mij een goed overzicht van wat er in relatie tot de opbouw van een nieuw land gemaakt wordt. Bij een espresso lees weer eens kranten om de actuele situatie een beetje te begrijpen.
.
Ook in Jeruzalem zie ik een grote overzicht tentoonstelling. Jammer genoeg is dat een teleurstellend rommelig geheel van kris kras opgehangen werken in loodsachtige ruimten.
In het 'Artist House' ontmoet ik Ardon weer. Hij geeft mij een introductiebrief voor het bezoeken van kunstenaars in de kibbutzim. Zo'n brief blijkt een enorme steun voor mijn tocht langs de plekken waar kinderen tekenen.

Arabisch land
Channa, een vriendin uit Nederland, brengt mij in haar auto naar Akko (Accra). Ze gaat verder om haar zaken te regelen.
Het is een van de oudste Arabische stadjes. Het ligt prachtig ommuurd aan zee. Ik maak er een paar tekeningen en slenter rond door straatjes en over de bazaar, tot nu toe de mooiste die ik zag.
Akko heeft veel te lijden gehad van invallen van alle mogelijke heersers in dit gebied.
Als Channa me weer oppikt eten we wat. Het Arabische voedsel lijkt veel op het Turkse maar smaakt toch weer anders. De Hummus is een specialiteit die in geen enkele maaltijd ontbreekt als voorgerecht. De olijven zijn in dit land goedkoop en worden bij bergen gegeten.

In Haifa bezoeken we de poeprijke familie van Channa en we zwemmen in Netanya. In het donker rijden we naar huis waar Tamar, die ook kunstenares is, met eten op ons wacht. De vriend van Tamar is er ook.

Samen met Tamar ga ik wat tekenen in de omgeving van Hadar Joseph.
Er niet veel bijzonders vast te leggen maar we maken er wat van. We zijn lui, dat is geen schande in deze zinderende hitte.



De eerste kindercrèche in het land

Kibbutz Degania aan het meer van Galilea. De kleine Moshe Dayan zit helemaal links.
De kibbutz werd in 1909 opgericht. Moshe is het tweede kind dat daar geboren werd. Na een roerige carriëre in het Joodse leger, de Haganah, werd Dayan in 1967 Minister van Defensie.



Metaplet / crèche

Vanaf hun geboorte werden de kinderen in een speciaal huis onder verzorging van een zogenoemde Metaplet geplaatst.
Moeders geven ze nog wel borstvoeding maar verder zaten ze in groepjes van zes kinderen bij elkaar.
Tussen het avondeten en bedtijd was er het 'Love hour' waarin de ouders de kinderen bij zich hadden.


Beer Sheva

Beer Sheva 30 juni
The charge of the 4th Light Horse Brigade at Beersheba

De slag om Beersheba vond plaats op 31 oktober 1917 als onderdeel van het Britse offensief dat bekend staat als de derde Slag om Gaza.
In de schemering stormden leden van de brigade door de Turkse verdedigingswerken en namen de strategische stad Beersheba in beslag. De verovering van Beersheba stelde Britse troepen in staat de Ottomaanse linie nabij Gaza te doorbreken en naar Palestina te trekken.


Dudi Gershon 11 jaar, Israël


Shau Mogliner, 8 jaar, Israël




Lunchen in elke kibbutz die ik tegen kom
In loodsachtige ruimtes staan rijen tafels waar alle inwoners aanschuiven. Midden op tafel een blik voor de olijvenpitten. Iedereen is goed geoefend om de pitten daar met een boogje in te spugen. Het is een smerige gewoonte, maar die blikken horen bij het beeld van alle eetzalen.
De kinderen blijven veelal in de crèches eten.
Op Sabbat eten ze wel mee.
Het is heel gewoon dat er reizigers mee aan tafel schuiven.
Ik lift met leuke lui die ik Nederlandse liedjes leer. Het woestijnlandschap dient zich aan.


Kampeerplaats voor pioniers, Sakhne Gan Hashelosh

Kindertekeningen
Ik verlang er naar eindelijk IsraŽlische kindertekeningen te zien.
Het adres van iemand die tekenles geeft heb ik van een leider van een jeugdcentrum in Beersheva. Men stuurt mij verkeerd en ik kom bij de jeugdherberg terecht. De man van de jeugdherberg telefoneert voor mij met het resultaat dat ik door een auto van het ministerie van onderwijs word afgehaald.
Jammer genoeg was de tekenjuf er niet.
De vakanties zijn net begonnen.
Er hangen kindertekeningen maar kan er met niemand over praten.

Men brengt mij naar het ministerie zelf, want men wil de gast uit Nederland wel goed ontvangen.
Ministerie is wel een groot woord voor het kleine eenvoudige bureau in een van de karakterloze zandstenen gebouwen waarvan er in IsraŽl zo veel zijn. Het hoofd van de afdeling onderwijs geeft me verschillende tips voor het bezoeken van plekken waar ik kinderwerk kan zien. Samen met hem bezoek ik een school voor moeilijk opvoedbare kinderen waar Rivka tekenles geeft. Ze laat mooi werk van de kinderen zien. Ze is er erg enthousiast over en teleurgesteld over het weinige geld voor materiaal dat ze ter beschikking heeft.
Als moeilijk opvoedbare kinderen tekenen kunnen ze zich van alle problemen ontdoen en gewone kinderen zijn. De moeilijkheden doen zich voornamelijk voor in hun relaties met volwassenen die hen niet begrijpen en dingen van ze willen die ze niet te bieden hebben.
Met Rivka breng ik een bezoek aan een Amerikaanse beeldhouwster.
Ze woont als lang in Beersheva en laat me mooie houtplastieken zien.



Kinderen tekenen Jeruzalem
Dat is ter gelegenheid van de tiende gedenkdag van de hereniging van de stad. Bij die gelegenheid werden kinderen uit de hele wereld gevraagd ook tekeningen in te sturen.


Tekening van Choi Hyun-Joo, 10 jaar, Zuid Korea


Helene DÁlteroche, 11 jaar, Frankrijk


Jolien v.d. Heide, 9 jaar, Nederland


Hirosumi Mitiko, 9 jaar, Japan

Ein Gedi 1 juli
Een Amerikaanse ingenieur van de potasfabriek bij Sodom aan de Dode zee, neemt me mee in zijn Buick door de woestijn.
We passeren tentenkampen van Bedoeïen die een beetje in de verlaten vlakte zitten te vegeteren. Ze kunnen niet meer rondtrekken en zijn verplicht zich ergens te vestigen. Het leger gooit uit vliegtuigen bundels hooi voor de dieren en dat is dat.


In de buurt van de Dode Zee

Een Amerikaanse ingenieur van de potasfabriek bij Sodom aan de Dode zee, neemt me mee in zijn Buick door de woestijn.
We passeren tentenkampen van BedoeÔen die een beetje in de verlaten vlakte zitten te vegeteren. Ze kunnen niet meer rondtrekken en zijn verplicht zich ergens te vestigen. Het leger gooit uit vliegtuigen bundels hooi voor de dieren en dat is dat.


Ein Gedi















4 juli Op pad naar Eilat
Een zwarte bladzijde in het dagboek van een lifter.
Ik wacht van 's morgens half vijf tot 's avonds zes tevergeefs op een lift. De laatste dagen blijken er geen auto's in de richting van Eilat te gaan.
Samen met anderen wacht ik in de blakerende zon op 'de' auto terwijl rond om ons heen de Arabieren markt houden. Kamelen, schapen, geiten en de duivel mag weten wat ze nog meer verhandelen.
Men is gekleed in zwarte mantels wat me nog al warmteopslorpend lijkt maar ze hebben er geen last van. De vrouwen met de slip van de sluier tussen de tanden kijken nors onder de munten vandaan die rond hun voorhoofd bungelen.
Hele families wachten gelaten tot het hoofd voor vervoer gezorgd heeft. Als er eindelijk een oude Amerikaanse taxi gevonden is dromt alles erin. De prijs valt tegen en als bekvechten niet helpt, gaat alles de auto weer uit.

Tegen de avond geef ik het op en ga terug naar de JH.


Eilat, in de verte Aquaba



Vlucht uit de woestijn 6 juli
Het is zaak zo snel mogelijk dit onherbergzame oord te verlaten.
De mensen die hier wonen hoeven geen belasting te betalen omdat het zo moeilijk is hier te leven.
Ik betaal op dit moment ook geen belasting maar wil toch weg. Ik probeer met een vrachtvliegtuig mee te liften.

Natanya / Sarid 11 juli
In Natanya probeer ik Naomi Moskovitz te ontmoeten maar kan haar niet vinden.
Het liften gaat moeizaam omdat er weer veel militairen op verlof gaan. Ze nemen alle auto's die stoppen in beslag.

 

 

Sodom en Gommorah


Masadah

Traag glooiende okeren heuvels
Af en toe zie ik op kleine verhogingen. Ik kan niet precies zien wat het zijn maar ik denk dat het oude ruïnes zijn. De zoutpilaren van Lot zullen het wel niet zijn.

De Dode Zee
Plotseling daalt de weg.
Meer vreemde kleine heuveltjes en zoutpannen. Op de achtergrond de heuvels van JordaniŽ.
De hitte slaat me tegemoet als we het dal in gaan.
We wisselen van auto en de ingenieur van de potasfabriek die me een lift gegeven heeft, trekt andere schoenen aan.

Hij laat me de fabriek zien.
Een smerige stinkende chemische industrie waarbij men zijn best doet al die buizen en ovens een schone indruk te geven.
In de fabriekskantine krijg ik een ontbijt. De ingenieur moet aan het werk en ik word door de bedrijfsbus naar Sodom, tien kilometer verder, gebracht. Waar Gommorah gebleven is weet ik niet.
Sodom is eigenlijk alleen een plek. Een paar houten hutten aan de Dode zee. Eťn van die hutten is een jeugdherberg. Er is een enorme zoutgrot om te bezoeken. Het interessante ervan is de geweldige schoorsteen, uitgehold door water, dwars door de berg naar boven.
Zwemmen in de stinkende zee, daar waag ik me niet aan. Er zijn een paar mensen die therapeutisch in die drab drijven.

Het is afschuwelijk vanwege de blakerende hitte en de stof die aan me blijft kleven. In een mum van tijd zie ik er uit als een zandmannetje.
Maar mooi en indrukwekkend is het landschap.
Een smalle strook tussen de Dode zee waar het zout nauwelijks golfslag toelaat. Aan de andere kant de bergen met prachtige tinten van bruin tot paars.

Iedereen is gewapend
De nabijheid van de grens is voelbaar.
We passeren Massadah. Een berg met een platte bovenkant. Die ligt iets afgezonderd van de andere heuvels.
Het is een onneembare vesting waar in oude tijden uit Jeruzalem gevluchte joden hun toevlucht vonden. Het watersysteem daar hoog boven op de berg is iets bijzonders. Men breekt er nu nog het hoofd over hoe het mogelijk was dit zo te maken. Iedere druppel vocht werd in grote reservoirs opgevangen.
Rondom de berg zijn resten van Romeinse kampen te zien en de Romeinen hebben de vestig uiteindelijk ingenomen door een soort oprit aan te leggen. Toen ze boven aankwamen hadden alle mensen elkaar gedood. Flavius vraagt zich af wat de rede van de hoofdman van de joden geweest moet zijn die er toe leidde dat alle mensen elkaar doodden.

Ein Gedi
Na een lange tocht komt de kibbutz in zicht. Ik word ontvangen door de secretaris, zeg maar eern soort burgemeester, die vertelt dat er nog een Hollander in de nederzetting zit. Het blijkt de zoon van de hoofdredacteur van de Volkskrant, Voskuil, te zijn. Ik krijg een bed in zijn kamer.
Iedereen in de kibbutz loopt gewapend rond en ik krijg behalve een stapeltje dekens ook een geweer toegewezen. Men is nogal nerveus daar aan de grens met Libanon. Ze zijn verbaasd dat ik liever niet met een gun rond loop. Als je de kranten mag geloven is er een gevaarlijke situatie, maar die is er elke dag in de staat IsraŽl. Hoewel ik niet voor lijfsgevaar hoef te vrezen is het toch zaak hier bijtijds de hielen te lichten.
De kibbutz is bevolkt met zeer jonge mensen. De secretaris is de oudste, hij is 21. De kibbutz ligt 392 meter onder de zeespiegel, die van de Middellandse zee wel te verstaan, want de Dode zee ligt hoog.
De hitte is onvoorstelbaar en moordend. Er is een koele poel waarin we veel zwemmen om in leven te blijven. Na het middagmaal slaapt ieder zwetend in de schaduw en pas tegen zeven uur komt er wat meer beweging. Ik krijg een goede indruk van het leven in deze gemeenschap. De kibbutz maakt in principe deel uit van een reeks militaire grensverdedigingsposten. Ze doen wat aan landbouw en veeteelt, maar hun voornaamste reden van bestaan is dat ze er zijn in dat kleine hoekje ingeklemd door de Dode zee, de woestijn en JordaniŽ.
De zon gaat onder en alles koelt af. Als er een wind opsteekt is de nacht zelfs koud.

In de kibbutz wordt verschillend gedacht over de auto die me terug zal brengen. Ik wacht enige tijd tevergeefs.
Het heeft wel het voordeel dat ik weer een gratis maaltijd krijg. Normaal is de eerste maaltijd in een kibbutz voor niets. Blijf je langer dan moet je er voor werken. Ik maak een tochtje naar een klein paradijs. Een waterval tussen de hoge bergen die als een regen de weelderige plantengroei besproeid. Ik baad er heerlijk. Het is vooral het contrast met de kale hete bergen die me het paradijsgevoel geven.
De tocht terug is weer een hellevaart. In de Jeugdherberg van Beersheva val ik doodmoe in slaap.

Een benzinepomp in de woestijn

Wonderwel heb ik vandaag vlug een lift de woestijn in, maar niet tot Eilat. Midden in de verlatenheid is een kibbutz met een benzinestation.
De enige schaduw komt van de pomp en alle lifters draaien met de schaduw mee. We zitten in het zand en wachten op de dingen die komen. Opgewekt zegt de pompbediende dat er alleen verkeer is als er een schip in de haven ligt en dat is nu blijkbaar niet het geval.

Eindelijk neemt de bus mij mee.
De tocht door de woestijn is mooi maar Eilat is verschrikkelijk. Zelfs mijn vijanden zal ik niet aanraden er heen te reizen.
Er is geen schaduw en het water komt bijna kokend en ondrinkbaar uit de kranen.
Optimistisch zoek ik op de plattegrond naar het park dat aangegeven is. Het blijkt een verzameling stekjes te zijn die de hitte waarschijnlijk niet zullen overleven. Ze hebben nog meer water nodig dan ik.
Op de hele reis heb ik nog niet zo veel gedronken. Ik slaap onder een paar stuiken maar de wind is gloeiend heet.
Verkoeling vind ik pas in de hal van een groot hotel waar twee soorten air condition zijn. De eerste is heel natuurlijk: een muur waar om de andere steen een ruimte vrijgelaten is. Die ruimte is opgevuld met een soort hard mos. Van boven stroomt er water langs. De hete wind blaast er door en het is binnen heerlijk koel.
Daar bovenop is nog een elektrische air condition machine, maar die geeft een vervelende koude luchtstroom waar je verkouden van wordt.
Een Algerijn met wie ik vanuit Beersheva tevergeefs probeerde te liftten, heeft ontdakt dat het in het Culturele Huis heel koel is. Daar gaan we heen.

Nacht aan het strand
Zwemmen in het donker in het koele heldere water.
Overdag zijn er wonderlijke vissen en koralen te zien vanuit bootjes met glazen bodems.
Het verblijf aan het strand is geen pretje.
Er is een 'Kulpan' gearriveerd, dat is een schoolreisje van een stel onbehouwen jongeren. Ze schreeuwen de hele nacht door en gooien met schillen van watermeloenen.
Dan zijn er nog de militaire chauffeurs van de vrachtauto's waarmee het stel reist. Die vinden het leuk met volle vaart en felle koplampen op de mensen in slaapzakken in te rijden. Zo iets schofterigs heb ik nog nooit meegemaakt.
Later vertellen de mensen me dat de jeugd in IsraŽl enorm in de watten gelegd wordt omdat ze de staat moeten verdedigen.

Tegen de ochtend wordt het wat koeler.
Een derde lifter van bij de benzinepomp in de woestijn is ook in Eilat aangekomen. We brengen de dag door met slapen, stikken van de hitte, veel, en niet alcoholisch, drinken en af en toe zwemmen. We eten in de stad en slapen weer aan het strand. Die nacht is het goddank rustig.
Ik maak tekeningen van de Jordaanse stad Aqabah die helder en vlakbij te zien is aan de andere kant van de golf.



Hitch hiking by air
Ik probeer met een vrachtvliegtuig mee te liften.
Ik zie er een paar staan op de airstrip vlak bij de stad. Het heeft niets van een luchthaven en er is zelfs geen passagiersgebouwtje. Alleen een primitief verkeersleidingshokje met een slappe luchtzak..
Bij de vrachttoestellen is niemand te bekennen. Wel bij een DC6 waar de piloot me belooft dat ik mee mag als er 10 minuten voor vertrek nog een stoel vrij is.
Hoewel er eerst geen plaats was is er blijkbaar toch iemand van de hitte bezweken en niet op komen dagen en kan ik mee.
Ze vergeten naar een ticket of zo te vragen zodat ik voor het eerst en waarschijnlijk het laatst van mijn leven met een vliegtuig lift.
De stewardess is mooi maar koel, zoals het een stewardess betaamt.
De vliegtocht duurt een uur en tien minuten. Ik kan heel duidelijk de weg en zelfs de benzinepomp zien waar mijn moeizame lifttocht op de heenweg langs ging. Nu gaat het comfortabel en dat is dat.

Van het vliegveld Lod met de autobus naar Tel Aviv en vandaar naar Hadar Joseph. 's Morgens zwom ik in de Rode zee, 's middags in de Middellandse zee, ik voel me een soort playboy.

De meiden zijn lief voor me
Ze geven me de rust die ik in Jeruzalem onmogelijk kan vinden.
Ik sla weer aan het tekenen en Tamar doet mee. Channa studeert hard voor een of ander rechten examen.
Jurist in IsraŽl zijn valt niet mee. Ze heeft te maken met het Arabisch recht, het Romeins recht, het Turkse recht en het nieuwbakken IsraŽlische recht waar de joodse wetten in verwerkt zijn. Ga daar maar aan staan.

Als Channa naar Jeruzalem moet geef ik haar een boodschap voor mijn pleegzus mee. Als ze me wil zien moet ze maar naar Tel Taviv komen.
Van hieruit wil ik meteen meteen naar het noorden.
Op de boulevard ontmoet ik een meisje dat ook naar Eilat wilde liften maar het niet haalde.
Zo langzamerhand heb ik iedereen van die lifttocht weer terug gezien. We drinken samen orange juice en ik vertel van mijn belevenissen en mijn vlieglift.
Ze is jaloers.

Scheef bestek
Op bezoek in kibbutz Ha-ogen, een prachtig dorp met mooie tuinen.
Ze hebben een plastic fabriek en zoals alle kibbutzim, natuurlijk een landbouwbedrijf.
Dat ze een plasticfabriek hebben is in de eetzaal goed te merken. Alle mislukte borden en kopjes worden daar gebruikt waardoor je een tafel voor je ziet waarbij alles scheef en gebobbeld is. Het geeft een beeld van pure dronkenschap.


Eetzaal in een kibbutz / Schraga Weil

Jammer genoeg is de schilder, Schraga Weil, die ik wilde bezoeken, niet thuis. Ik spreek met zijn vrouw die in de wasserij werkt.
Zijn atelier is een van de mooiste en meest doelmatig ingerichte werkplaatsen die ik ooit zag. Het lukt dus kennelijk wel om kunstenaar in een kibbutz te zijn.
De gemeenschap neemt hem op en geeft hem de kans op zijn eigen manier te werken. Wat hij verdient gaat naar de kibbutz die dan ook al zijn materiaal betaalt.

Schraga Weil (1918-2009) is in Tsjecho-Slowakije geboren.
Tijdens WO II zat hij gevangen en maakte daar grafisch werk. Na de oorlog emigreerde hij in 1947 naar IsraŽl en werd pionier in kibbutz HaOgen waar hij zijn hele leven woonde en werkte.
Hij is op dit moment een van de belangrijkste schilders van IsraŽl.
Ik ben niet onder de indruk van zijn werk alhoewel er een paar goede schilderijen bij zijn. Ondanks alles heb ik het gevoel dat hij zijn werk aanpast aan de gemiddelde smaak van de kibbutzniks.


Schraga Weil

's Middags probeer ik Dan Annitai te vinden die volgens Dan Hoffner in kibbutz Mizzak moet wonen. Hij blijkt twaalf kilometer verder in Sarid te wonen.
Zijn vrouw ontvangt me en later komt Dan om me zijn werk te laten zien.
In deze kibbutz hebben ze een indrukwekkende collectie reproducties uit boeken en tijdschriften verzameld.
Gila is de tekenlerares van de kibbutz en we praten over haar aanpak. Onze ideeën over het tekenonderwijs komen goed bij elkaar.
Gila laat me veel van de kibbutz zien. De huizen waar de kinderen wonen, de werkplaatsen, bibliotheek, scholen en het zwembad. Zelf tekent ze en maakt potten.
Er zijn twee tentoonstellingen ingericht, een van de schoolkinderen, de ander van werk van jongeren die in dienst moeten. De jonge soldaten krijgen overal speciale aandacht en dat begint al op de scholen.


Sarid

We eten samen.
De maaltijden in de meeste kibbutzim zijn erg lekker ondanks het feit dat ze allemaal sterk op elkaar lijken en uit de gemeenschappelijke keuken komen. De olijvenspuugpot staat overal op tafel.
Ik krijg een kamer en slaap er lekker



Tiberias 12 juli
Het meer ligt schitterend tussen de bergen de stad Tiberias en heet in het Hebreeuws Meer van Kinnereth, maar het wordt ook wel meer van Galilea of Genezareth genoemd. Het is het belangrijkste zoetwaterreservoir met een oppervlakte van 165 vierkante kilometer. Het water stroomt vanuit Noord IsraŽl en Libanon het meer in en gaat in het zuiden via de Jordaan naar de Dode Zee. Er ontstaat ruzie over het verdelen van het water. Israël houdt het Jordaanwater en de andere waterreservoirs voor zichzelf en wat overblijft, stroomt door voor de Palestijnse bevolking. 
In de Bijbel staan de verhalen die zich rond dit meer met Jezus en zijn discipelen afspeelden. Toen was er meer sprake van verdelen.






Kamperen aan het Meer van Tiberias

Onder de bomen aan de oever spreid ik mijn slaapzak uit op de platgetrapte bodem.
Er vonden wonderen op die grond plaats, zoals het kalmeren van de storm, de wonderbare spijziging met vijf broden en twee vissen, de wonderbare visvangst en het lopen over het water.

Er zijn wat jongelui die me uitnodigen om mee te eten.
Ze hebben geen broden en vissen maar wel een heleboel kippen bij zich die ze boven een vuur roosteren.
Jammer genoeg worden de botten slordig in het rond gesmeten.
Dat trekt wilde katten en jakhalzen aan. Die komen brutaal dichtbij.
Ik slaap zeer onrustig en zie voortdurend de omtrekken van de sluipende dieren in het maanlicht.

's Morgens zie ik de rotzooi die rond ons kamp is ontstaan. Blijkbaar is het de gewoonte van de Israëlische jongeren om zo te kamperen. Horden vliegen dienen zich in de aan en het is zaak te maken dat ik weg kom.
Even zwemmen in het lauwe water van het meer en dan ga ik weer op weg.











Sede Nehemia 13 juli

Jeruzalem
18 juli

Haifa


Over bergen en door dalen naar het noorden
Sede Nehemia.
Ik zoek Jitschak Slijper, een oude immigrant. Hij is in de boomgaard en laat me zijn privé wildernis zien. Een uit het struikgewas gekapt pad leidt naar een moeras. Er zijn meertjes en er komen kleine riviertjes samen. Het ene heeft ijskoud water het ander is lauw. Er leeft een meerval en we baden in de buurt van het dier. Een perfect oerwoud waarbij ik vergeet dat ik in het woestijnachtige Israël ben.
Oververmoeid val ik in slaap de hele middag op een waranda. In de avond ontmoet ik Jan v.d. Linden, die ongeveer dezelfde route volgde als ik.


Nazareth

Aan de grens met Libanon wandel ik onbezorgd door een gebied met akkers en velden.
Dan laat men mij een platgebrand stuk zien. Hier werd gisteren een graanveld door infiltranten platgebrand. Men is er nooit zeker van dat je hier veilig kunt lopen. Ik weet niet of het overdreven wordt. Het afgebrande veld ligt er op zichzelf vredig bij en zou best door de landbouwers zelf afgebrand kunnen zijn. In de verte kan ik de mensen in de Libanese dorpen zien lopen.

Gewapend op bezoek
De kranten berichten over hachelijke situaties maar op mij maakt alles een tamelijk vredige indruk. Ondanks het feit dat iedereen wil dat ik met een geweer rond loop, doe ik dat niet. Het lijkt me juist een aansporing om moeilijkheden te krijgen. Toch raak ik onder de indruk van de nerveuze stemming en keer terug naar Jeruzalem.

Terug in Jeruzalem
Er zijn geweerschoten en kanongebulder te horen, maar verder schijnt de zon.
Ik luier wat rond en beantwoord mijn post.
Mijn zwager Karl, die de 'zaken' voor mij bijhoudt, heeft nogal wat moeilijkheden met een mevrouw voor wie ik boekjes geschreven heb over werken met klei. Het aantal illustraties was onvoldoende of zo iets. Ze vond ook de stijl van de tekst te opgeschroefd enthousiast.
Karl had aan deze tekst gewerkt in mijn afwezigheid, maar dat mag zij niet weten en ik draai er voor op.
In dit land en onder deze zon kan ik me er moeilijk druk om maken.
Ene Emo die mij nog geld schuldig is voor een of andere opdracht komt niet af. Hij schijnt al zijn geld voor de psychiater nodig te hebben. Hij belooft wel van alles maar laat Karl er mooi mee zitten.

De dagen met pleegzus zijn zenuwslopend, ik denk dat ik maar weer naar Tel Aviv ga om me daar voor te bereiden op mijn zeereis terug naar Napels.
Die terugreis heb ik al in Nederland geboekt, hetgeen een voorwaarde was om een visum te krijgen. Na veel gereken bleek dat de goedkoopste passage te zijn.

De twee dagen in Tel Aviv zijn snel om en dan brengt Channa me naar Haifa waar ik aan boord ga. Het is na al mijn omzwervingen de meest luxueuze zeereis die ik ooit maakte. Het is een nieuw schip en de dure diners zijn in de prijs inbegrepen. Ik voel me als een excentrieke miljonair die in z'n vuile kleren tussen de smokings van de rest van de passagiers ligt. Niemand neemt er aanstoot aan.

Napels 1 augustus



Meta di Sorrento



Malcecine
5 augustus

Como

Bodio



Italië

Op weg naar huis, het is mooi geweest

De terugreis via Napels heb ik al in Nederland geboekt, dat was een voorwaarde om een visum te krijgen.
Het wordt na al mijn omzwervingen de meest luxueuze zeereis die ik ooit maakte.
Ik ga aan boord van een gloednieuw schip en de dure diners zijn in de prijs inbegrepen. Ik voel me als een excentrieke miljonair die in z'n vuile kleren tussen de smokings van de rest van de passagiers ligt.
Niemand neemt er aanstoot aan.

Napels ken ik
Bijzonder was het dat er was tijdens de Giro d' Italia. Ik sliep toen bij de rondtrekkende zakkenrollers die de bezoekers van de Giro probeerden te beroven.
Omdat ik er uitzag als een van hen deelden ze hun soep en het houtvuur met mij.
Ik weet niet of ik er nu vuil genoeg uitzie om het nog eens te proberen. Nachtelijk Napels kan behoorlijk bedreigend over komen. Ik slaap in de jeugdherberg en wandel in de omgeving van de zee.

Meta di Sorrento
Het weekend breng ik door in Meta di Sorrento.
Het hotel waar ik gewerkt heb tijdens een vorige liftreis, staat er nog net zo bij, dat wil zeggen de letter H van Hotel die ik op het platte dak schilderde staat er nog eenzaam. Niemand heeft zin om het woord af te schilderen ondanks het feit dat je op die manier het Hotel al van verre uit de bergen zou zien liggen. Toen was er geen verf genoeg en niemand wist hoe er meer moest komen. Nu heb ik ook geen zin om aan te bieden de volgende letter te schilderen.

Een paar heerlijke dagen rust. Ik slaap in de dependance van het hotel dat eigenlijk een soort jeugdherberg is. De olijftuinen op de hellingen boeien me nog steeds. De gekromde boomstammen leveren een goed grafisch beeld op.

Nog eenmaal ga ik naar Napels voor de post maar als er niets is lift ik meteen door naar Malcecine aan het Gardameer. Dat is een afstand van 970 km. Ik slaap niet.

Mijn verjaardag heb ik onderweg 'gevierd' maar had er weinig tijd voor. Veel korte en langere liften. De laatste in de nacht.
Een open auto met een familie die kenbaar veel haast heeft. Het kind slaapt en ik kijk naar de sterren. Het is een warme nacht en het bevalt me allemaal best.
Heel vroeg kom ik in Malcecine aan. Misschien daardoor valt me het toeristische nog niet zo op. De terrassen zijn nog niet bevolkt en ik drink er in mijn eentje koffie.

Logeren in kunstenaarskasteel

Na enig zoeken vind ik onderdak in het atelier van de plaatselijke dorpsgek die tevens kunstschilder is. Zijn verhalen zijn nauwelijks te volgen en zijn schilderijen ook niet. Hij bewoont een kasteelachtig gebouw en maakte voor zichzelf een soort troonzaal, compleet met een van kleurige planken in elkaar getimmerde troon. Op de onderste trede ervan val ik in slaap.
De contrasten in mijn omzwervingen zijn groot. Ineens bevind ik mij tussen de toeristen.



Bern

Basel


Weer thuis
12 augustus





Zwitserland en Duitsland


Snel naar het noorden
Eerst naar Bern om afscheid te nemen van mijn Zwitserse vrienden en dan door naar de oude rotzooi in mijn huis in Amsterdam.


Ik merk dat een vrij leventje ook kan gaan vervelen. Vooral het liftleven valt me tegen na een luxe zeereis.
Dat het einde van mijn reis nabij is merk ik aan mijn ontbrekende aantekeningen.
De Autobahn heeft me op de heenreis al niet geboeid. Nu is het nog erger.
Er valt weinig over te berichten behalve dan dat ik op de een of andere manier snel mijn doel bereik.

Met een speciaal gevoel kom ik achter in een luxe auto Amsterdam weer binnen.
Om de een of andere reden heeft het echtpaar mij niet gevraagd waar ik vandaan kwam. Het zou een tochtje langs de Rijn geweest kunnen zijn, waar ik van terugkeerde.
***

Henk van Faassen


naar boven